Toelichting op de balans, winst- en verliesrekening en kasstroomoverzicht
Algemeen
Deze jaarrekening heeft betrekking op de periode 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. Alle bedragen luiden in euro’s, tenzij anders vermeld.
Stichting Woonbron is oorspronkelijk opgericht op 3 mei 1918 onder de naam: Woningstichting “Onze Woning”, gevestigd te Rotterdam. De oprichting van deze oudste rechtsvoorganger van de stichting is openbaar gemaakt in de Staatscourant van 27 juli 1907; derhalve is de stichting vanaf die datum werkzaam geweest als instelling, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam.
Activiteiten en zetel
De activiteiten van Stichting Woonbron, statutair en feitelijk gevestigd en kantoor houdende in Rotterdam, zijn erop gericht voor passende huisvesting in gevarieerde wijken te zorgen voor hen die ons nodig hebben. Wij zijn voor onze bewoners een partner in prettig wonen.
De activiteiten bestaan voornamelijk uit de exploitatie en ontwikkeling van woningen voor de sociale huursector en verkopen onder voorwaarden.
Vestigingsadres, rechtsvorm en inschrijfnummer handelsregister
Woonbron is een stichting met de status van “toegelaten instelling volkshuisvesting”. Zij heeft specifieke toelating in de regio’s Rijnmond, Dordrecht, Haaglanden en Midden Holland is werkzaam binnen de juridische wetgeving vanuit de Woningwet.
De statutaire vestigingsplaats is Rotterdam, de feitelijke vestigingsplaats is Weena 723 te Rotterdam. Het KvK-nummer van Stichting Woonbron is 24108291.
Werkgebied
De stichting heeft als werkgebied:
- de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Nissewaard, Westvoorne, Vlaardingen en Westvoorne; deze gemeenten vormen samen de regio Rijnmond;
- de gemeenten Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, ’s-Gravendeel, Hardinxveld-Giessendam, Heerjansdam, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Leerdam, Liesveld,. Nieuw-Lekkerland, Oud-Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen,
Zederik en Zwijndrecht; deze gemeenten vormen samen de regio Zuid-Holland-Zuid; - de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; deze gemeenten vormen samen de regio Haaglanden.
- de gemeente Zuidplas (Nieuwerkerk aan den IJssel, Moordrecht en Zevenhuizen-Moerkapelle), Bodegraven-Reeuwijk, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Gouda; deze gemeenten vormen samen de regio Midden-Holland.
Regelgeving
De jaarrekening is opgesteld conform het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting (BTIV), de Beleidsregels toepassing Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen (WNT), de woningwet en Hoofdstuk 645 van Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. In dit besluit wordt onder meer de toepassing van bepaalde afdelingen van BW II Titel 9 voor het opstellen van de jaarrekening voorgeschreven. In de jaarrekening heeft geen consolidatie plaatsgevonden, omdat Woonbron gebruik maakt van een vrijstelling op grond van het artikel 2:407, lid 1 BW (vanwege te verwaarlozen betekenis). De balansposten en resultatenrekeningposten van Woonbron Holding B.V. zijn derhalve niet geconsolideerd. De netto vermogenswaarde van deze deelneming is opgenomen in de post deelnemingen van de balans.
Grondslagen voor de waardering en resultaatbepaling
Algemeen
De jaarrekening van Stichting Woonbron is opgesteld opgesteld volgens de bepalingen van de Woningwet, het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting en de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015, Titel 9 Boek 2 BW en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, in het bijzonder Richtlijn 645 Toegelaten instellingen volkshuisvesting en in overeenstemming met de vereisten bij en krachtens de Wet Normering Topinkomens (WNT).
In de Richtlijn 645 Toegelaten instellingen volkshuisvesting wordt verwezen naar het Handboek modelmatig waardering volgens de marktwaarde in verhuurde staat welke gehanteerd dient te worden bij de waardering van het vastgoed in exploitatie. De modellen voor de balans, winst-en-verliesrekening en het kasstroomoverzicht worden jaarlijks door het Ministerie vastgesteld als bijlage bij het RTIV.
Activa en verplichtingen worden in het algemeen gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs of de actuele waarde, tenzij anders vermeld. Saldering Activa en passiva worden uitsluitend gesaldeerd en als zodanig in de balans gepresenteerd indien een afdwingbaar juridisch recht bestaat om de bedragen te salderen en het voornemen bestaat om de activa en passiva op gesaldeerde basis af te wikkelen of gelijktijdig te realiseren en af te wikkelen. Baten en lasten worden uitsluitend gesaldeerd gepresenteerd indien dit op grond van Titel 9 BW 2 of de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving is toegestaan.
Schattingen
Bij het opstellen van de jaarrekening maakt het bestuur diverse schattingen. Dit is inherent aan het toepassen van de geldende verslaggevingsstandaarden. In het bijzonder is dit van toepassing op de bepaling van de marktwaarde van het vastgoed in exploitatie. De waardebepaling van het vastgoed (terug te vinden in de marktwaarde, beleidswaarde, projectwaardering) betreft de grootste schattingspost waar het bestuur een inschatting over moet maken voor de jaarrekening van Stichting Woonbron.
De marktwaarde is als volgt te definiëren:
Marktwaarde is het geschatte bedrag waartegen vastgoed tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marketing in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de peildatum, waarbij partijen met kennis van zaken, prudent en zonder dwang zouden hebben gehandeld.
Voor de waardering in de jaarrekening wordt de marktwaarde in verhuurde staat gehanteerd. Om een inschatting van de marktwaarde te maken wordt gebruikt gemaakt van taxaties. De vraag is wat de nauwkeurigheid van deze taxaties is of binnen welke bandbreedte de opdrachtgever het waardeoordeel mag verwachten. Uitgaande van de gegeven definitie van de marktwaarde en de aan de taxateur opgelegde norm op het gebied van kennis en uitvoering wordt in de markt de nauwkeurigheid van de waardering geacht te liggen binnen een bandbreedte van 10 procent plus en min de waarde.
Indien het voor het geven van het in artikel 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de betreffende jaarrekeningpost.
Presentatiewijzigingen
In 2025 zijn geen presentatiewijzigingen doorgevoerd
Verbonden partijen
Als verbonden partij worden alle rechtspersonen aangemerkt waarover overheersende zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis kan worden uitgeoefend. Ook rechtspersonen die overwegende zeggenschap kunnen uitoefenen worden aangemerkt als verbonden partij. Ook de statutaire directieleden, commissarissen en andere sleutelfunctionarissen in het management van Woonbron en nauwe verwanten zijn verbonden partijen. Transacties van betekenis met verbonden partijen worden toegelicht voor zover deze niet onder normale marktvoorwaarden zijn aangegaan. Hiervan wordt toegelicht de aard en de omvang van de transactie en andere informatie die nodig is voor het verschaffen van het inzicht.
Functionele indeling winst- en verliesrekening
Algemeen
Met ingang van 1 juli 2015 is de nieuwe Woningwet van kracht voor toegelaten instellingen. Hierin is opgenomen dat toegelaten instellingen met ingang van het boekjaar 2016 de winst- en verliesrekening conform het functionele model moeten presenteren. De functionele winst- en verliesrekening wordt opgesteld conform de "Handleiding toepassen functionele indeling winst-en verliesrekening bij corporaties Verslagjaar 2025" van SBR-Wonen.
Balanswaardering
Activa
Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met de cumulatieve afschrijvingen en indien van toepassing cumulatieve bijzondere waardeverminderingen. Het afschrijven van de immateriële vaste activa geschiedt stelselmatig op basis van de geschatte economische levensduur, zoals nader in de toelichting op de balans is gespecificeerd. De economische levensduur en afschrijvingsmethode worden aan het einde van ieder boekjaar opnieuw beoordeeld.
Ontwikkeling van software
De externe kosten ten behoeve van ontwikkeling van software zijn onder de immateriële vaste activa opgenomen. De immateriële vaste activa worden gewaardeerd op het bedrag van de bestede kosten, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen en indien van toepassing met bijzondere waardeverminderingen. De jaarlijkse afschrijvingen bedragen een vast percentage van de bestede kosten. De economische levensduur en de afschrijvingsmethode worden aan het einde van elk boekjaar opnieuw beoordeeld. Voor de software geldt primair een afschrijvingstermijn van 5 jaar. De afschrijving (lineair) vindt plaats vanaf moment van ingebruikname.
Vastgoedbeleggingen
Verkrijgings- of vervaardigingsprijs
De verkrijgings- of vervaardigingsprijs wordt bepaald als de som van alle direct toe te rekenen uitgaven. Voor zover verkregen subsidies kwalificeren als investeringssubsidie worden deze in mindering gebracht op de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Tevens worden hierbij de direct toerekenbare interne kosten alsmede transactiekosten geactiveerd. Er wordt rekening gehouden met bijzondere waardeverminderingen die op balansdatum worden verwacht.
Indien grond gekocht is met opstallen, met de intentie de opstallen te slopen of teniet te laten gaan en vervolgens op de grond nieuwbouw te realiseren, dan maken de eventuele boekwaarde van de opstallen en de gemaakte sloopkosten deel uit van de verkrijgingsprijs van de grond.
Uitgaven na eerste verwerking
Uitgaven na eerste verwerking ten behoeve van het complex aangaande het sociaal en commercieel vastgoed die voldoen aan de algemene activeringscriteria, worden geactiveerd tegen kostprijs en getoetst aan het verschil in marktwaarde van het complex vóór en na deze uitgaven.
In het geval per balansdatum sprake is van feitelijke dan wel juridische investeringsverplichtingen inzake sociaal en commercieel vastgoed, waarbij de geschatte kostprijs van de investeringsuitgaven hoger is dan de marktwaardestijging, wordt het verschil eerst in mindering gebracht op de reeds bestede kosten en wordt voor het resterend bedrag een voorziening gevormd voor onrendabele investeringen en herstructureringen. De afwaardering van de bestede kosten tot nihil, wordt in het resultaat verantwoord onder de post `Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille'.
Herclassificatie
Herclassificatie van vastgoed in exploitatie en/of onroerende zaken verkocht onder voorwaarden geschiedt slecht indien sprake is van een wijziging van het gebruik of het beleid, gestaafd door:
- daadwerkelijke aanvang van activiteiten ten behoeve van verkoop van vastgoed die niet meer in exploitatie zijn;
- verkoop onder voorwaarden van vastgoed in exploitatie waarbij de transactie kwalificeert als financieringstransactie;
- terugkoop van onder voorwaarden verkochte onroerende zaken die als financieringstransactie zijn aangemerkt ten behoeve van de eigen exploitatie of verkoop;
- beëindiging van de duurzame exploitatie van bestaand vastgoed om nieuw vastgoed te gaan ontwikkelen en exploiteren.
DAEB- en niet-DAEB vastgoed in exploitatie
Voor de bepaling van DAEB en niet-DAEB zijn de volgende uitgangspunten toegepast:
Conform regelgeving zijn eenheden die een niet-DAEB huurcontract hebben (dat wil zeggen op het moment van aangaan van het contract boven de destijds geldende liberalisatiegrens) per definitie niet-DAEB.
Ten aanzien van het overig vastgoed is de volgende regelgeving gevolgd:
- Het gebruik en de huurder van een pand zijn bepalend voor de indeling in bedrijfsmatig onroerend goed of maatschappelijk onroerend goed. Indien het gebruik aansluit bij de definitie van maatschappelijk onroerend goed (bijlage 3 en 4 uit het Besluit Toegelaten Instelling Volkshuisvesting, het BTIV) en de huurder is een vereniging, stichting of een overheidsorganisatie) dan is er sprake van maatschappelijk onroerend goed (MOG). MOG-bezit heeft in eerste instantie de indicatie DAEB omdat er een sociale doelstelling mee wordt beoogd.
- Daar waar het pand thans een maatschappelijke gebruiker heeft, maar in de marktverwachting een toekomst als bedrijfsmatig onroerend goed meer voor de hand ligt, worden panden administratief naar de niet-DAEB tak overgeheveld. Of omzetting van MOG naar BOG bij leegkomst daadwerkelijk mogelijk is, is ook aan regelgeving verbonden. Uitbreiding van het BOG op deze wijze is beperkt toegestaan door de wetgever.
- Zorgvastgoed (ZOG) is per definitie DAEB. Het gaat daarbij onder meer om verzorgingstehuizen. Dit is geen MOG of BOG maar wordt onder de woningen verantwoord omdat dit overige wooneenheden betreft.
- Ten aanzien van parkeerplaatsen is als hoofdlijn gevolgd dat parkeerplaatsen waarvan het contract gekoppeld is aan een contract van een sociale DAEB-woning ook in de DAEB-tak geplaatst wordt. Parkeerplaatsen waarbij dit niet het geval is, zijn niet-DAEB.
Grondslag waardering tegen actuele waarde gebaseerd op marktwaarde
Het DAEB- en niet-DAEB vastgoed in exploitatie wordt bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, inclusief transactiekosten (eventueel verminderd met projectsubsidies). Na eerste verwerking wordt het vastgoed in exploitatie gewaardeerd op basis van actuele waarde. Op grond van artikel 31 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 vindt de waardering plaats tegen de marktwaarde. Het Besluit actuele waarde is niet van toepassing.
Uitgaven na eerste verwerking worden verwerkt in overeenstemming met artikel 14a van de RTIV 2015. De regeling maakt onderscheid tussen onderhoud en verbeteringen. Onderhoudsuitgaven worden in het resultaat verwerkt, uitgaven welke als verbetering gekwalificeerd worden, worden als onderdeel van de kostprijs van het vastgoed verwerkt.
Op grond van artikel 14 van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 vindt de waardering tegen marktwaarde plaats overeenkomstig de methodiek die is opgenomen in bijlage 2 van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (‘Handboek modelmatig waarderen marktwaarde’).
Bij het toepassen van het ‘Handboek modelmatig waarderen marktwaarde’ wordt de full-versie gehanteerd. Voor een verdere toelichting op de toepassing van het waarderingshandboek wordt verwezen naar de toelichting op de balans.
Winsten of verliezen, ontstaan door een wijziging in de marktwaarde van het vastgoed in exploitatie, worden verantwoord in de winst-en-verliesrekening als niet gerealiseerde waardeverandering over de periode waarin de wijziging zich voordoet. Daarnaast wordt ten laste van de overige reserves, een herwaarderingsreserve gevormd. De herwaarderingsreserve wordt gevormd voor het positieve verschil tussen de boekwaarde op basis van verkrijgings- of vervaardigingsprijs (zonder afschrijving) en de marktwaarde van het vastgoed in exploitatie waar de reserve betrekking op heeft.
Basisveronderstelling
Als algemene veronderstelling wordt ervan uitgegaan dat de marktwaarde in verhuurde staat wordt benaderd door de waarde die een complex bij complexgewijze verkoop naar schatting zal opbrengen, nadat de verkoper het complex na de beste voorbereiding op de gebruikelijke wijze in de markt heeft aangeboden en waarbij de koper de onroerende zaak aanvaardt onder gestanddoening van de lopende huurovereenkomsten met alle daaraan verbonden rechten en plichten.
Gehanteerde methodiek
In beginsel kent de methodiek twee scenario’s, het doorexploitatiescenario en het uitpondscenario.
Doorexploitatiescenario:
Bij doorexploiteren is de veronderstelling dat het volledige complex in bezit blijft gedurende de periode van vijftien jaar. Aanvullend wordt een eindwaarde bepaald na afloop van de periode van vijftien jaar. Deze eindwaarde vertegenwoordigt de opbrengst die na deze vijftien jaar verkregen kan worden bij verkoop aan een belegger. Op basis van deze kasstromen wordt de marktwaarde in verhuurde staat van de complexen bepaald uitgaande van de Discounted Cash Flow (DCF) methodiek.
Uitpondscenario:
Hierbij geldt dezelfde insteek, met als afwijking ten opzichte van het doorexploitatiescenario dat er bij leegstand van de eenheid (op basis van mutatiegraad en leegstand op balansdatum) op individuele basis wordt verkocht tegen de leegwaarde.
Bij het uitpondscenario wordt rekening gehouden met de in 2017 gewijzigde BTIV. Hierin zijn strengere regels voor de verkoop van sociale huurwoningen opgenomen. Een complex heeft een 7-jarige exploitatieverplichting als het tot het lage segment behoort, op basis van het aantal WWS-punten, of gemengd is en als hierbij 10% of meer van de woningen een maximale huur volgens WWS onder de sociale huurgrens heeft. Uitponden is pas vanaf het achtste jaar toegestaan.
Vanuit de basisveronderstelling dat het complex na de beste voorbereiding op de gebruikelijke wijze in de markt wordt aangeboden, geldt (per complex) het meest gunstige scenario als uitkomst, tenzij eventuele beklemmingen op het complex dit belemmeren. Om de Netto Open Marktwaarde te bepalen worden de koperskosten (10,4% overdrachtsbelasting +1% overige kosten) in mindering gebracht op de Bruto Open Marktwaarde.
| Categorie onroerende zaken | Methoden |
|---|---|
| Woongelegenheden | De hoogste waarde van de twee scenario’s (doorexploiteerscenario of uitpondscenario) leidt tot de marktwaarde van het waarderingscomplex |
| Bedrijfsmatig en maatschappelijk onroerend goed | Doorexploiteerscenario |
| Parkeergelegenheden | De hoogste waarde van de twee scenario’s (doorexploiteerscenario of uitpondscenario) leidt tot de marktwaarde van het waarderingscomplex |
| Intramuraal vastgoed | Doorexploiteerscenario |
Gehanteerde complexindeling
Een waarderingscomplex is een samenstel van verhuureenheden, dat in principe bestaat uit vergelijkbare verhuureenheden wat betreft type vastgoed, bouwperiode en locatie, en dat als één geheel aan een derde partij in verhuurde staat verkocht kan worden. Er bestaat geen minimum of maximum voor het aantal verhuureenheden in een waarderingscomplex. Het kan voorkomen dat een waarderingscomplex bestaat uit zowel DAEB- als niet-DAEB vastgoed. De waarderingscomplexen ten behoeve van de berekening van de marktwaarde zijn bepaald op basis van zogenaamde VvE/Technisch-clusters. Dit betreft feitelijk fysiek waarneembare complexen.
Rol van de taxateur
Jaarlijks wordt 1/3e deel van de onroerende zaken in exploitatie getaxeerd door een twee onafhankelijke en ter zake deskundige externe taxateurs (ieder 1/6e deel), ingeschreven bij het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs. Dit betekent dat elk deel van de onroerende zaken in exploitatie minimaal eens per drie jaar opnieuw wordt getaxeerd. Het 1/3e deel wordt zo samengesteld dat dit een representatief deel van het totale bezit is. In het jaar dat niet getaxeerd wordt, wordt een object intern gewaardeerd met gebruikmaking van de parameters en uitgangspunten zoals afgestemd in het Marktwaardeoverleg Zuidelijke Randstad.
Bepaling parameters vrijheidsgraden
De marktwaarde wordt opgesteld met inachtneming van het Handboek Modelmatig Waarderen Marktwaarde. In een taxatiemanagementsysteem worden de berekeningen conform de rekenregels en parameters van het handboek uitgevoerd.
Bij de bepaling van de marktwaarde in verhuurde staat volgens de full-versie kan op een aantal parameters afgeweken worden van de basisversie. Deze parameters worden vrijheidsgraden genoemd. De bij de vrijheidsgraden te hanteren parameters worden afgestemd met andere Rotterdamse corporaties en taxateurs in het Marktwaarde Overleg Zuidelijke Randstad.
De volgende vrijheidsgraden zijn toegepast:
- markthuur (stijging)
- exit yield
- leegwaarde
- leegwaardestijging
- disconteringsvoet
- mutatie- en verkoopkans
- onderhoud
- bijzondere omstandigheden
- erfpacht
- Exploitatiescenario
Markthuur
De markthuur wordt bepaald als een percentage van de leegwaarde, gedifferentieerd naar type vastgoed, oppervlakte en leegwaardeklasse. Voor een derde deel van de portefeuille wordt de markthuur getaxeerd. Voor het interne deel wordt de markthuurtabel gebruikt als uitgangspunt en vervolgens intern getoetst en vastgesteld.
In de waardering is geen gebruik gemaakt van de vrijheidsgraad markthuurstijging en wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit het handboek.
Exit yield
In beginsel wordt aangesloten bij de eindwaardeberekening zoals in het handboek is voorgeschreven. Echter bij een aantal complexen resulteert deze eindwaardeberekening niet in een marktconforme eindwaarde. In deze complexen wordt in overleg met de taxateur de eindwaarde middels een marktconforme exit yield bepaald.
Leegwaarde
In afwijking op het handboek wordt voor de leegwaarde niet de WOZ-waarde gehanteerd. Op basis van referentietransacties wordt jaarlijks voor een derde deel van de portefeuille de actuele leegwaarde bepaald. Voor het overige deel (twee derde) wordt de leegwaarde modelmatig bepaald op basis van referentietransacties. Deze worden intern getoetst en vastgesteld.
Leegwaardestijging
In overleg met andere corporaties en taxateurs worden generiek toekomstige stijgingspercentage voor de leegwaarde bepaald. Deze worden op wijkniveau toegepast in de waardering.
Disconteringsvoet
De disconteringsvoet wordt gevormd door de risicovrije rentevoet (IRS), verhoogd met risico opslagen voor:
- algemene onroerende zaak-risico’s voor exploitatie en uitponden;
- de in te schatten exploitatierisico’s die specifiek voortvloeien uit de locatie waar het object in gelegen is;
- het segment waartoe het object behoort;
- de energieprestatie van het object;
Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van de methodiek van bepaling van de risico-opslagen uit het handboek. Maar de opslagen worden op complex niveau specifiek bepaald in samenwerking met taxateurs. Risico opslagen op regioniveau zijn afgestemd met ander (Rotterdamse) corporaties.
Mutatie- en verkoopkans
De mutatiegraad uitponden en doorexploiteren wordt per cluster bepaald op basis van een vijfjaars-gemiddelde voor het woningvastgoed. Uit de best practice van het Marktwaarde overleg hanteren wij de methodiek en bandbreedte die wordt gesteld voor regulier en studentenvastgoed.
Onderhoud
Bij onderhoud gaat het uitsluitend om het zogeheten instandhoudingsonderhoud (het onderhoud dat nodig is om het object in dezelfde technische staat te houden als waarin het zich op het moment van waarderen bevindt) en het mutatie-onderhoud. Voor het instandhoudingsonderhoud wordt gebruik gemaakt van marktnormen uit de Vastgoed Taxatiewijzer per type eenheid.
In geval van achterstallig onderhoud in een complex wordt de ingeschatte herstelkosten van het achterstallig onderhoud in mindering gebracht op de marktwaarde.
Bijzondere omstandigheden
Bij het waarderen van het vastgoed op de marktwaarde in verhuurde staat wordt ervan uitgegaan dat opbrengstmaximalisatie zal plaatsvinden. Vanuit het interne beleid zal de maximale opbrengst niet worden gerealiseerd, vanuit bewuste keuzes die ingegeven worden door de maatschappelijke opgaven van corporaties op grond van de Woningwet.
Er kunnen echter ook bindende afspraken in het beleid vastgelegd zijn die het de corporatie belemmeren om de maximale opbrengst te genereren. We spreken hier van beperkingen of beklemmingen. Deze beperkingen kunnen direct op een specifiek vastgoedobject rusten (bijvoorbeeld de afspraak dat een complex beschikbaar blijft voor een specifieke doelgroep) of indirect waarbij er algemene afspraken worden gemaakt over een volkshuisvestelijke opdracht binnen een gemeente. De beperkingen worden vastgelegd in prestatieafspraken, erfpachtcontracten of andere overeenkomsten. Indien beklemmingen object-specifiek zijn, wordt bij de waardering van dergelijke complexen rekening gehouden met de impact van dergelijke afspraken op de hoogte van de waardering.
Erfpacht
Vrijwel alle grond die in erfpacht is uitgegeven is door Woonbron eeuwigdurend afgekocht. Er zijn voor een paar Rotterdamse complexen afkoopbetalingen in de waarderingen verwerkt. Daarnaast is er sprake van bijbetaling voor functiewijziging op sociaal uitgegeven grond in Rotterdam en Nissewaard. In de betreffende complexen wordt rekening gehouden met deze bijbetalingsverplichting.
Exploitatiescenario
Wanneer blijkt dat één van beide exploitatiescenario’s (doorexploiteren of uitponden) niet realistisch is gezien de marktomstandigheden, kan één scenario afgedwongen worden voor het vaststellen van de marktwaarde. In afstemming met de taxateurs is afgesproken dat het doorexploitatiescenario wordt afgedwongen voor complexen met een groot aandeel onzelfstandige woongelegen eenheden. Individueel uitponden is bij dit type vastgoed niet mogelijk.
Grondslagen voor de bepaling van de beleidswaarde
De beleidswaarde betreft de actuele waarde van het vastgoedbezit in exploitatie, gebaseerd op een sociale disconteringsvoet (landelijk voorgeschreven) en voortdurende exploitatie volgens het huidige beleid van Woonbron. De bepaling van de beleidswaarde betreft een schatting over de toekomstige kasstromen en uitgangspunten die derhalve schattingsonzekerheden in zich heeft. Wijzigingen van deze uitgangspunten zijn derhalve van invloed op de waarde en zijn middels een gevoeligheidsanalyse in beeld gebracht.
De beleidswaarde van bedrijfsmatig, maatschappelijk en zorg onroerend goed alsmede van parkeergelegenheden wordt gelijkgesteld aan de marktwaarde in verhuurde staat.
Voor woongelegenheden wordt de beleidswaarde bepaald op basis van een contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen gebaseerd op voortdurende exploitatie. De waardering vindt op complexniveau plaats overeenkomstig de methodiek die is opgenomen in Handboek modelmatig waarderen marktwaarde 2024. De basiskenmerken van de methodiek zijn als volgt:
- De aannames aangaande de geprognosticeerde kasstromen zijn gebaseerd op de contractuele en wettelijke verplichtingen van de toegelaten instelling die rusten op het vastgoed.
- Het rekenmodel maakt gebruik van een Netto Contante waardeberekening (NCW), ook wel Discounted Cash Flow (DCF) genaamd, gebaseerd op een exploitatieperiode van zestig jaar. Dit betekent dat de inkomsten en uitgaven over deze termijn worden geschat en dat deze aan de hand van een disconteringsvoet “contant” worden gemaakt naar balansdatum.
- De gehanteerde sociale disconteringsvoet over boekjaar 2025 bedraagt 4.22% voor het DAEB bezit en 4.76% voor het niet-DAEB bezit.
- In de beleidswaarde wordt uitgegaan van voortdurende eigen exploitatie ( doorexploiteer-scenario), derhalve wordt geen rekening gehouden met bijvoorbeeld voorgenomen verkopen of sloop van vastgoed in exploitatie.
- De huuropbrengsten worden geschat op basis van de intern bepaalde streefhuur vanaf het ingeschatte moment van mutatie. Huren worden geïndexeerd met de jaarlijkse huuropslag volgens vastgesteld beleid. Beide huurparameters houden rekening met de geldende wettelijke kaders.
- Toepassen van een erfpachtcorrectie voor objecten die niet in volledig eigendom zijn of eeuwigdurend afgekocht erfpacht hebben.
-
Het in rekening brengen van toekomstige onderhoudslasten voor instandhoudingsonderhoud en mutatie onderhoud is gebaseerd op de eigen onderhoudsbegroting, waarbij geldt dat:
- De onderhoudsbegroting is gebaseerd op de onderhoudscycles van het complex op basis van instandhouding, voortvloeiend uit de door Woonbron vastgestelde meerjarenonderhoudsbegroting. Voor zover ingrijpende verbouwingen of gebreken niet in deze meerjarenonderhoudsbegroting zijn meegenomen, worden hiermee samenhangende geschatte uitgaven eveneens tot het onderhoud gerekend en verwerkt als correctie achterstallig onderhoud.
- De verplichtingen tot het verduurzamen van woningen met een E,F of G label is ingerekend in het achterstallig onderhoud conform de tabel in paragraaf 9.2.4.3 van het handboek modelmatig waarderen marktwaarde 2025.
- Woonbron stemt de onderhoudskasstromen af op de 60-jarige meerjarenonderhoudsbegroting van de onderhoudsafdeling. - Het Inrekenen van toekomstige verhuur- en beheerslasten op basis van een gemiddelde norm welke is gebaseerd op een inschatting van het langjarige kostenniveau (15 jaar). Hieronder worden verstaan de directe en indirecte kosten die rechtstreeks zijn te relateren aan de verhuur- en beheer- activiteiten van de corporatie en zoals deze worden opgenomen onder het hoofd “lasten verhuur en beheeractiviteiten” en “overige directe operationele lasten exploitatiebezit” in de resultatenrekening.
Materiële vaste activa
Algemene uitgangspunten
De onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, onder aftrek van lineaire afschrijvingen gedurende de verwachte toekomstige gebruiksduur en bijzondere waardeverminderingen.
Niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbare activa worden gewaardeerd tegen de verwachte lagere opbrengstwaarde.
De activa voor eigen exploitatie worden gewaardeerd op historische uitgaafprijs minus lineaire afschrijvingen en indien van toepassing met bijzondere waardeverminderingen. De boekhoudkundige resultaatseffecten van de investeringen, zoals beheerlasten en afschrijvingen worden onder de posten overige bedrijfslasten verantwoord. Onderhoud en herstel worden, voor zover het eigen kantoorruimte betreft, verantwoord onder de post ‘Huisvestigingskosten’.
De afschrijvingstermijnen voor activa ten dienste van de exploitatie bedragen:
| Bedrijfspand | 35 jaar |
| Verbouwing bedrijfspand | 15 jaar |
| Installaties | 20 jaar |
| Herinrichting binnenterrein | 10 jaar |
| Inrichting | 10 jaar |
| Inventaris | 10 jaar |
Verkrijgings- of vervaardigingsprijs
De verkrijgings- of vervaardigingsprijs wordt bepaald als de som van alle direct toe te rekenen uitgaven. Voor zover verkregen subsidies kwalificeren als investeringssubsidie worden deze in mindering gebracht op de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
Tevens worden hierbij de direct toerekenbare interne kosten alsmede transactiekosten geactiveerd. Er wordt rekening gehouden met bijzondere waardeverminderingen die op balansdatum worden verwacht.
Indien grond gekocht is met opstallen, met de intentie de opstallen te slopen of teniet te laten gaan en vervolgens op de grond nieuwbouw te realiseren, dan maken de eventuele boekwaarde van de opstallen en de gemaakte sloopkosten deel uit van de verkrijgingsprijs van de grond.
Verwerking groot onderhoud
Woonbron verwerkt de kosten van groot onderhoud aan haar materiële vaste activa als onderdeel van de boekwaarde indien wordt voldaan aan de criteria voor activering. Voor zover sprake is van vervanging van onderdelen van het actief wordt de nog aanwezige boekwaarde van deze onderdelen gedesinvesteerd.
Onroerende zaken verkocht onder voorwaarden
De post ‘Onroerende zaken verkocht onder voorwaarden’ omvat de oorspronkelijke verkoopprijs (verkoopprijs na aftrek van korting) van de verkochte VOV-woningen gemuteerd met de inmiddels opgetreden waardeverandering. De wijze waarop de waardemutaties worden bepaald komt overeen met de wijze waarop dit voor het bezit in exploitatie plaatsvindt. Voor Koopgarant-woningen wordt rekening gehouden met de verleende korting en een bijbehorende winst/verliesdeling van veelal 50%.
Omdat er volgens RJ 270 geen sprake is van een verkooptransactie bij verkoop onder voorwaarden met een terugkoopverplichting (waaronder Koopgarant en Koopcomfort), betekent dit dat deze verkopen kwalificeren als financieringstransactie.
De als financieringstransactie gekwalificeerde verkopen onder voorwaarden worden als volgt verwerkt:
- De betreffende onroerende zaken worden direct voorafgaand aan de verkoop gewaardeerd tegen actuele waarde zijnde de met de koper overeengekomen contractprijs; het verschil met de boekwaarde op dat moment wordt verwerkt:
- Bij een waardedaling: als een negatieve herwaardering indien en voor zover er voor de betreffende woning(en) op dat moment nog sprake is van een ongerealiseerde waardestijging, en voor het overige als een bijzonder waardeverminderingsverlies via de overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille;
- Bij een waardestijging: als een herwaardering indien en voor zover de actuele waarde hoger is dan de boekwaarde, en voor een eventueel resterende overige waardestijging als terugname van een bijzonder waardeverminderingsverlies; - De woning wordt voor de overeengekomen contractprijs opgenomen onder de Onroerende zaken verkocht onder voorwaarden; de (nog te) ontvangen contractprijs wordt opgenomen als Verplichtingen uit hoofde van Onroerende zaken verkocht onder voorwaarden (eerste waardering).
- De woning wordt jaarlijks per balansdatum gewaardeerd tegen de marktwaarde op basis van de geldende contractvoorwaarden van de verkoop onder voorwaarden; eventuele waarde mutaties worden verwerkt als ‘Niet-gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedportefeuille bestemd voor de verkoop’.
In het verlengde hiervan geldt voor de ‘Teruggekochte Koopgarant- en Koopcomfort-woningen’ dat deze niet meer als ‘Voorraad woningen voor verkoop’ verantwoord worden, maar als onderdeel van de post ‘Vastgoedbeleggingen’ worden aangemerkt. In beginsel geldt de bedoeling om de teruggekochte Koopgarant- en Koopcomfort-woningen ook in deze vormen weer weder te verkopen, maar het kan ook voorkomen dat de teruggekochte eenheid vrij wordt verkocht of wordt verhuurd.
Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor eigen exploitatie
Van vastgoed in ontwikkeling bestemd voor eigen exploitatie is alleen sprake bij ontwikkeling of vervaardiging van een nieuw actief. Dus alleen de uitgaven ten behoeve van projecten nieuwbouw wordt ontwikkeld of projecten waarbij bestaand bezit door middel van sloop/(ver)nieuwbouw tot volledig nieuw vastgoed ontwikkeld wordt kwalificeren als activa in ontwikkeling. Verbeteringen in ontwikkeling aan vastgoed in exploitatie (al het vastgoed dat door middel van reguliere huurcontracten duurzaam wordt geëxploiteerd) wordt derhalve opgenomen onder vastgoed in exploitatie.
Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor eigen exploitatie wordt gewaardeerd tegen kostprijzen en toegerekende kosten van het werkapparaat uit hoofde van voorbereiding, toezicht en directievoering of lagere marktwaarde en inclusief transactiekosten (zoals overdrachtsbelasting, notariskosten en andere transactiekosten).'
De waardering na eerste verwerking van het vastgoed in ontwikkeling is tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs dan wel de lagere marktwaarde. De marktwaarde wordt bepaald met behulp van geprognosticeerde kasstromen op basis van aannames, zoals hiervoor toegelicht onder vastgoed in exploitatie onder `Waardering na eerste verwerking'.
Indien gerede twijfel bestaat of de reeds bestede kosten terugverdiend kunnen worden, wordt het vastgoed tegen de lagere marktwaarde van het project in het bestaande ontwikkelingsstadium gewaardeerd en wordt het nadelig verschil in het resultaat verantwoord onder de post `Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille'.
In het geval per balansdatum sprake is van feitelijke dan wel juridische investeringsverplichtingen inzake sociaal en commercieel vastgoed in ontwikkeling, waarbij de geschatte kostprijs van het vastgoed hoger is dan de marktwaarde, wordt het verschil eerst in mindering gebracht op de reeds bestede kosten en wordt voor het resterend bedrag een voorziening gevormd voor onrendabele investeringen en herstructureringen. De afwaardering van de bestede kosten tot nihil, wordt in het resultaat verantwoord onder de post `Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille'.
Financiële vaste activa
Deelnemingen in groepsmaatschappijen
De niet-geconsolideerde deelnemingen waarin invloed van betekenis op het zakelijke en financiële beleid wordt uitgeoefend, worden gewaardeerd op de nettovermogenswaarde, doch niet lager dan nihil. Deze nettovermogenswaarde wordt berekend op basis van de grondslagen van Stichting Woonbron.
Deelnemingen met een negatieve nettovermogenswaarde worden op nihil gewaardeerd. Daarbij worden tevens andere langlopende belangen in aanmerking genomen die feitelijk moeten worden aangemerkt als onderdeel van de netto-investering in de deelneming. Wanneer Stichting Woonbron geheel of ten dele instaat voor schulden van de desbetreffende deelneming, respectievelijk de feitelijke verplichting heeft de deelneming (voor haar aandeel) tot betaling van haar schulden in staat te stellen, wordt een voorziening gevormd. Bij het bepalen van de omvang van deze voorziening wordt rekening gehouden met reeds op vorderingen op de deelneming in mindering gebrachte voorzieningen voor oninbaarheid.
Vorderingen op groepsmaatschappijen
De vorderingen op maatschappijen waarin wordt deelgenomen worden initieel gewaardeerd tegen de reële waarde, gewoonlijk de nominale waarde. Vervolgens vindt waardering plaats tegen geamortiseerde kostprijs waarbij rekening wordt gehouden met eventuele bijzondere waardeverminderingen.
Andere deelnemingen
Deelnemingen waar geen invloed van betekenis kan worden uitgeoefend worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Indien sprake is van een bijzondere waardevermindering vindt waardering plaats tegen de realiseerbare waarde; afwaardering vindt plaats ten laste van de winst-en verliesrekening.
Belastinglatentie
In de actieve belastinglatentie is de verliescompensatie uitsluitend opgenomen voor zover de veronderstelling gerechtvaardigd is dat deze verliezen gecompenseerd kunnen worden met toekomstige fiscale winsten. Tevens zijn de tijdelijke waarderingsverschillen (fiscaal versus commercieel) verwerkt, voor zover realisatie waarschijnlijk is. Zowel het effect van verliescompensatie als de verschilbepaling van de tijdelijke waarderingsverschillen is, voor zover gewaardeerd, op basis van netto contante waarde opgenomen. De netto contante waarde wordt berekend op basis van disconteringsvoet vanuit de gemiddeld gewogen rentecoupon van de leningenportefeuille inclusief
rentederivaten vermeningvuldigd met "1-belastingtarief". De verschilbepaling van de tijdelijke waarderingsverschillen komt met name voort uit de navolgende balansposten:
- Vastgoedbeleggingen en materiële vaste activa, verschil tussen marktwaarde in verhuurde staat en de fiscale waarde, voor zover deze tot uiting komen vanuit de verkoopprognose van de komende 5 jaar (rekening houdend met mogelijke afdekking vanuit de inzet van de HIR) en waardeverschillen activa ten dienste van de exploitatie;
- Financiële vaste activa, (dis)agio leningen u/g;
- Voorraad woningen voor verkoop, teruggekochte Koopgarant- en Koopcomfort-eenheden;
- Projecten ten behoeve van derden, met name vanuit verschil in waardering inbrengwaarde;
- Overige voorzieningen;
- Langlopende schulden, (dis)agio leningen o/g.
De strategie van Woonbron is langdurige bemoeienis in de wijken waar Woonbron haar bezit heeft. Dit geeft aan dat Woonbron overwegend haar positie zal continueren. Een hogere of lagere commerciële waarde zal zich bij continuering (onder andere door middel vna hersturcturering) daarom pas op zeer lange tremijn vertalen in een belatingsvordering of schuld. Bij een waardering van de latentie tegen contante waarde tendeert deze dan naar nihil. Het verschil komt wel sneller tot uiting bij verkoop, voor zover de verkoopresultaten niet via inzet van de herInvesteringsreserve worden omgezet in verlaging van activeringen. Vanuit de “5 jaars verkoopvijver op basis van het verkoopbeleid”, wordt het tijdelijke waarderingsverschil (op basis van de huidige waarden) tot uiting gebracht die in de eerste 5 jaar ontstaat. Uit de praktijk van de afgelopen jaren (tot en met 2021) blijkt dat Woonbron eerst ongeveer 1/3e maar de laatste periode 1/2e van de positieve verkoopresultaten kan omzetten naar verlaging van activeringen. Dit beeld lijkt ook voor de toekomst realistisch waardoor er voor gekozen is om 1/2e deel van het waarderingsverschil vanuit de “5 jaars verkoopvijver op basis van het verkoopbeleid” op te nemen in de belastinglatentie.
Overige vorderingen
De overige financiële vaste activa worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs, die gelijk is aan de nominale waarde, onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen.
Amortisatie rente leningen u/g (boeterente)
In verband met vervroegd aflossen van langlopende leningen o/g is rente geactiveerd en wordt daarmee toegerekend aan het restant van de looptijd van de nieuwe lening. Het deel van de afkoopsom welke boven de nominale waarde van het financieel actief uitkomt wordt geactiveerd. Deze geamortiseerde rente wordt daarna toegerekend aan het restant van de looptijd van de nieuwe lening. Deze methode is toegepast op zowel de vervroegd afgeloste leningen o/g die daarna zijn geherfinancierd als voor de afkoop van de swap in combinatie met de fixatie van de gekoppelde roll-over lening.
Bijzondere waardeverminderingen van financiële vaste activa
Ook voor financiële vaste activa, waaronder financiële instrumenten beoordeelt Woonbron op iedere balansdatum of er objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere waardeverminderingen van een financieel actief of een groep van financiële activa. Bij aanwezigheid van objectieve aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen bepaalt Woonbron de omvang van het verlies uit hoofde van de bijzondere waardeverminderingen, en verwerkt dit direct in de winst- en verliesrekening.
Bij financiële activa die gewaardeerd zijn tegen geamortiseerde kostprijs wordt de omvang van de bijzondere waardevermindering bepaald als het verschil tussen de boekwaarde van het actief en de best mogelijke schatting van de toekomstige kasstromen, contant gemaakt tegen de effectieve rentevoet van het financiële actief zoals die is bepaald bij de eerste verwerking van het instrument.
Een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies wordt teruggenomen indien de afname van de waardevermindering verband houdt met een objectieve gebeurtenis na afboeking. De terugname wordt beperkt tot maximaal het bedrag dat nodig is om het actief te waarderen op de geamortiseerde kostprijs op het moment van de terugname, als geen sprake geweest zou zijn van een bijzondere waardevermindering. Het teruggenomen verlies wordt in de winst -en verlies rekening verwerkt.
Voorraden
Vastgoed bestemd voor verkoop
Opgeleverd vastgoed beschikbaar en bestemd voor de verkoop wordt gewaardeerd op vervaardigingsprijs of lagere opbrengstwaarde. De vervaardigingsprijs omvat alle kosten die samenhangen met de verkrijging of vervaardiging, alsmede gemaakte kosten om de voorraden op hun huidige plaats en in hun huidige staat te brengen. In de kosten van vervaardiging zijn begrepen directe loonkosten en toeslagen voor aan de productie gerelateerde indirecte vaste en variabele kosten, waaronder de kosten van het projectbureau, onderhoudsafdeling en interne logistiek.
De opbrengstwaarde is de geschatte verkoopprijs onder aftrek van direct toerekenbare verkoopkosten. Bij de bepaling van de opbrengstwaarde wordt rekening gehouden met de incourantheid van de voorraden.
Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor de verkoop
Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor de verkoop omvat nog niet opgeleverde en nog onverkochte woningen uit projectontwikkeling en wordt gewaardeerd op vervaardigingsprijs of lagere opbrengstwaarde. De vervaardigingsprijs omvat alle kosten die samenhangen met de verkrijging of vervaardiging, alsmede gemaakte kosten om de voorraden op hun huidige plaats en in hun huidige staat te brengen. In de kosten van vervaardiging zijn begrepen directe loonkosten en toeslagen voor aan de productie gerelateerde indirecte vaste en variabele kosten, waaronder de kosten van het bedrijfsbureau, onderhoudsafdeling en interne logistiek alsmede toegerekende rente.
De opbrengstwaarde is de geschatte verkoopprijs onder aftrek van direct toerekenbare verkoopkosten. Bij de bepaling van de opbrengstwaarde wordt rekening gehouden met de incourantheid van de voorraden
Overige voorraden
De overige voorraden betreft het magazijnvoorraden en zijn gewaardeerd tegen vaste inkoopprijs. Per ultimo jaar vindt er een telling van de hoeveelheden plaats, de voorraden worden gewaardeerd op basis van de getelde hoeveelheden maal de vaste prijs.
Onderhanden projecten
De post onderhanden projecten in opdracht van derden bestaat uit het saldo van gerealiseerde projectkosten, toegerekende winst, en indien van toepassing, verwerkte verliezen en reeds gedeclareerde termijnen. Onderhanden projecten worden afzonderlijk in de balans onder de vlottende activa gepresenteerd. Indien de onderhanden projecten een creditstand vertonen worden deze gepresenteerd onder de kortlopende schulden. Uitgaven voor projectkosten voor nog niet verrichte prestaties worden opgenomen onder de voorraden.
Vorderingen
Vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie. Vorderingen worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs, veelal gelijk aan de nominale waarde. Een voorziening voor oninbaarheid gebaseerd op een statische beoordeling per balansdatum wordt in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering.
De voorziening huurdebiteuren is als volgt bepaald:
| < 3 maanden | 0% |
| > 3 =< 6 maanden | 50% |
| > 6 =< 12 maanden | 75% |
| > 12 maanden | 100% |
Liquide middelen
Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en direct opeisbare deposito’s met een looptijd korter dan twaalf maanden. Rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder schulden aan kredietinstellingen onder kortlopende schulden. Liquide middelen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. De liquide middelen staan ter vrije beschikking van Woonbron. Met uitzondering van de bankgaranties en de aan te houden liquiditeitsbuffer vanuit de negatieve marktwaarde (bij een daling van de rentecurve van 2%) van een mandatory break. De uitzonderingen worden verantwoord in het hoofdstuk ‘niet uit de balans blijkende verplichtingen’.
Passiva
Vermogen
Herwaarderingsreserve
Een herwaarderingsreserve wordt gevormd voor het positieve verschil tussen de marktwaarde van activa dan wel balanswaarde onroerende zaken verkocht onder voorwaarden en de boekwaarde op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs/ boekwaarde.
In de herwaarderingsreserve worden de ongerealiseerde waardevermeerderingen van de onroerende zaken in exploitatie opgenomen. Er is sprake van een ongerealiseerde waardevermeerdering indien de marktwaarde/balanswaarde VOV van een waarderingscomplex op balansdatum hoger is dan de boekwaarde op basis van de verkrijgingsprijs- of vervaardigingsprijs. Indien op een waarderingscomplex in het verleden een waardevermindering is verantwoord, dan wordt pas een herwaarderingsreserve gevormd voor het betreffende complex voor zover de marktwaarde/balanswaarde VOV hoger is dan de boekwaarde op basis van verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
Het gerealiseerde deel van de herwaarderingsreserve van op marktwaarde gewaardeerde onroerende zaken in exploitatie worden rechtstreeks ten gunste van de overige reserves verantwoord. Aangezien de waardevermeerdering van de onroerende zaken in exploitatie reeds ten gunste van de winst-enverliesrekening is gebracht (en in verband hiermee een herwaarderingsreserve is gevormd) is verwerking van de daaropvolgende realisatie niet ten gunste van de winst-en-verliesrekening gebracht.
Voorzieningen
Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen en verliezen die op balansdatum bestaan waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de hoogte redelijkerwijs kan worden geschat. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen per balansdatum af te wikkelen. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen, tenzij anders vermeld.
Voorziening onrendabele investeringen en herstructureringen
Bij de bepaling van voorzieningen wordt uitgegaan van in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen die op de balansdatum bestaan. Tot de feitelijke verplichtingen worden ook gerekend verplichtingen die kunnen worden gekwalificeerd als “intern geformaliseerd en extern gecommuniceerd”. Hiervan is sprake wanneer uitingen namens de corporatie zijn gedaan richting huurders, gemeenten en overige stakeholders aangaande verplichtingen inzake toekomstige herstructureringen en toekomstige nieuwbouwprojecten. Een feitelijke verplichting is gekoppeld aan het besluitvormingsproces van de corporatie rondom projectontwikkeling en herstructurering. Van een feitelijke verplichting is sprake indien de formalisering van de definitieve ontwerpfase en afgeleid het aanvragen van de bouwvergunning heeft plaatsgevonden. Feitelijk betekent dit na het positief uitvoeringsbesluit. Verwachte verliezen als gevolg van onrendabele investeringen nieuwbouw worden als bijzondere waardeverandering in mindering gebracht op de boekwaarde van het complex waartoe de investeringen gaan behoren. Indien en voor zover de verwachte verliezen de boekwaarde van het betreffende complex overtreffen wordt voor dit meerdere een voorziening gevormd. Onder verwachte verliezen wordt in dit verband verstaan de netto contante waarde van alle investeringsuitgaven (verwachte stichtingskosten) minus aan deze investering toe te rekenen ontvangsten (verwachte marktwaarde verhuurde staat).
Voorziening pensioenen
De ‘Voorziening pensioenen’ is gevormd om bij de toepassing van de huidige regeling in het kader van de vervroegde pensionering een suppletie te geven ter voorkoming van inkomensachteruitgang ten opzichte van de eerdere VUT-regeling. De pensioenen zijn ondergebracht bij het pensioenfonds van SPW als toegezegde pensioenregeling. Deze benaderen we als verplichting aan de pensioenuitvoerder. De in het boekjaar verschuldigde pensioenpremies op basis van de lonen/salarissen in het boekjaar creëren derhalve de pensioenlasten.
Overige voorzieningen
De overige voorzieningen worden opgenomen tegen de voor de afwikkeling van de voorziening naar verwachting noodzakelijke uitgaven. Deze uitgaven zijn gewaardeerd tegen nominale waarde, tenzij hieronder anders is aangegeven. De stichting onderkent de volgende overige voorzieningen:
opleidingskosten CAO. Jaarlijks wordt deze voorziening aangevuld voor medewerkers die langer dan een jaar in dienst zijn en wordt de genoten opleiding of aankoop van opleidingsuren onttrokken.
Langlopende schulden
Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Het verschil tussen de bepaalde boekwaarde en de uiteindelijke aflossingswaarde wordt op basis van de effectieve rente gedurende de geschatte looptijd van de schulden in de winst- en verliesrekening als interestlast verwerkt. Voor extendible-/tijdvakleningen wordt de effectieve rente bepaald op basis van de gemiddelde contractuele rente over de volledige looptijd van de lening, ervan uitgaande dat de vaste rente in het tweede tijdvak betaald moet worden. De aflossingsverplichting voor het komend jaar van de langlopende schulden is opgenomen onder de kortlopende schulden.
In leningen besloten derivaten worden afgesplitst en separaat verantwoord indien er geen nauw verband bestaat tussen de economische kenmerken en risico's van het in het contract besloten derivaat en de economische kenmerken en risico's van het basiscontract Woonbron maakt gebruik van derivaten om het rente- en kasstroomrisico af te dekken.
Derivaten
Voor de verwerking, waardering en resultaatbepaling, past Stichting Woonbron met betrekking tot de derivaten (hedge-instrumenten) kostprijshedge-accounting toe. Dit generieke beleid voor de derivaten correspondeert met het uitgangspunt in het treasurystatuut, dat de derivaten slechts ter risicodekking mogen worden ingezet en er geen sprake mag zijn van een ‘open positie’.
Op het moment van aangaan van een hedge relatie, wordt dit door Woonbron gedocumenteerd. Woonbron telt middels een test periodiek de effectiviteit van de hedge relatie vast. Dit gebeurt door het vergelijken van de kritische kenmerken van het hedge instrument met die van de afgedekte positie, of door het vergelijken van de verandering in reële waarde van het hedge-instrument en de afgedekte positie indien de kritische kenmerken van het hedge instrument en die van de afgedekte positie niet aan elkaar gelijk zijn. Bij het toepassen van kostprijshedge-accounting is de eerste waardering en de grondslag van verwerking in de balans en de resultaatbepaling van het hedge-instrument afhankelijk van de afgedekte post. Dit betekent dat Woonbron derivaten tegen kostprijs waardeert omdat de afgedekte leningen ook tegen kostprijs in de balans worden verwerkt. Het ineffectieve deel van de hedgerelatie wordt direct in de winst-en-verliesrekening verwerkt indien het hedge instrument een negatieve reële waarde heeft.
Verplichtingen uit onroerende zaken verkocht onder voorwaarden
| Aangemeld voor 1 november 2011, korting 25% | Aangemeld voor 1 november 2011, korting kleiner dan 25% | Aangemeld na 1 november 2011 en voor 1 januari 2024 | Aangemeld na 1 januari 2024 | |
|---|---|---|---|---|
| Bestaand bezit | 1:2,0 | 1:1,5 | 1:1,5 | 1:1,0 |
| Nieuwbouw | 1:1,5 | 1:1,5 | 1:1,5 | 1:1,0 |
Waarborgsommen
Een waarborgsom (borg) dient ter zekerheid van de verhuurder in geval van een huurachterstand of schade aan het verhuurde. Waarborgsommen worden niet meer gevraagd bij nieuwe verhuringen. Indien na het verlaten van de woning door de huurder schade aan het verhuurde is toegebracht, kan de verhuurder de opknapkosten verrekenen met de borg. Hetzelfde geldt indien er sprake is van een betalingsachterstand. Bij teruggave van de borg krijgt de huurder rente over de borg.
Kortlopende schulden
De kortlopende schulden worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde (indien deze lager is dan de verkrijgings-/vervaardigingsprijs) en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs, die gelijk kan is aan de nominale waarde. Subsidies in verband met de aanschaf van (materiële) vaste activa worden in mindering gebracht op het geïnvesteerde bedrag.
Winst- en verliesrekening
Algemeen
Het resultaat wordt bepaald als verschil tussen de opbrengstwaarde van de geleverde prestaties en de kosten en andere lasten over het jaar. De resultaten op transacties worden verantwoord in het jaar waarin zij zijn gerealiseerd; verliezen reeds zodra zij voorzienbaar zijn.
Het resultaat wordt tevens bepaald met inachtneming van de verwerking van ongerealiseerde waardeveranderingen van op actuele waarde gewaardeerde vaste activa en afgeleide financiële instrumenten.
De winst-en-verliesrekening wordt gepresenteerd op basis van de functionele indeling. Omdat Woonbron naast verhuuractiviteiten, tevens activiteiten verricht op het gebied van ontwikkeling van vastgoed en verkoop van delen van de vastgoedportefeuille, geeft de functionele indeling de gebruiker van de jaarrekening een beter inzicht dan de categoriale indeling.
In de functionele winst-en-verliesrekening zijn alle opbrengsten direct toe te rekenen aan de activiteiten van Woonbron. Bij de kosten is er een onderscheid tussen de direct toerekenbare kosten en de indirecte kosten. De direct toerekenbare kosten worden bij het betreffende onderdeel verantwoord. De toerekening van de indirecte kosten aan de onderscheiden onderdelen van de functionele winst-en-verliesrekening gebeurt op basis van verdeelsleutels.
Opbrengstverantwoording
Opbrengsten uit de levering van goederen worden verwerkt zodra alle belangrijke rechten en risico’s met betrekking tot de eigendom van de goederen zijn overgedragen aan de koper. Opbrengsten uit de levering van diensten geschieden naar rato van de geleverde prestaties, gebaseerd op de verrichte diensten tot aan de balansdatum in verhouding tot de in totaal te verrichten diensten
Huuropbrengsten
Hier worden de huuropbrengsten opgenomen die uit de exploitatie van het vastgoed worden gegenereerd. Dit zijn zowel de huuropbrengsten uit de exploitatie van het DAEB-vastgoed als het niet-DAEB vastgoed. Op de huuropbrengsten is de derving wegens leegstand en de verwachte oninbare vorderingen op huurdebiteuren in mindering gebracht.
Opbrengsten en lasten servicecontracten
Opbrengsten servicecontracten betreffen overeengekomen bijdragen van huurders en worden aangemerkt als zijnde gerealiseerd in het jaar van levering van de goederen en verlening van de diensten. De bijdragen zijn voor de dekking van de te maken en gemaakte servicekosten. Verrekening op basis van daadwerkelijke bestedingen vindt jaarlijks plaats. Gemaakte servicekosten worden verantwoord onder de lasten servicecontracten in het verslagjaar waarop de servicekosten betrekking hebben. Voor de afrekenbare kosten vindt jaarlijks, op basis van werkelijke kosten, afrekening c.q. verrekening plaats.
Lasten verhuur en beheeractiviteiten
Hier worden de directe en indirecte kosten verantwoord die zijn te relateren aan de verhuur- en beheeractiviteiten. Hierbij kan worden gedacht aan:
- lonen en salarissen voor personeel dat bezig is met de exploitatie van het vastgoed;
- gerelateerde overige apparaatskosten;
De systematiek van toerekening is toegelicht onder “Toerekening baten en lasten”.
Lasten onderhoudsactiviteiten
Aan deze post worden de lasten toegerekend die betrekking hebben op de onderhoudslasten. Dit betreffen naast onderhoudslasten ook personeelslasten en overige bedrijfslasten. De systematiek van toerekening is toegelicht onder “Toerekening baten en lasten”. Onder onderhoudslasten worden alle direct aan het verslagjaar toe te rekenen kosten van onderhoud verantwoord. Van toerekenbaarheid is sprake als de daadwerkelijke werkzaamheden in het verslagjaar hebben plaatsgevonden. Op 3 juli 2019 publiceerden het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Autoriteit woningcorporaties en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw een gezamenlijk notitie over ‘Definities onderhoud en beheer ten behoeve van verantwoording en prognose’ (van woningcorporaties). Deze notitie is uitgebracht door SBR Wonen en is verankerd in RTIV artikel 14a. Hiermee maakt dit onderdeel uit van de (wettelijke) voorschriften aangaande de verwerking.
Overige directe operationele lasten exploitatie bezit
Aan deze posten worden de directe lasten met betrekking tot de exploitatie van het bezit toegerekend die geen betrekking hebben op de verhuur en beheeractiviteiten of onderhoudsactiviteiten. Gedacht kan worden aan:
- onroerendezaakbelasting;
- verzekeringskosten;
- vve bijdragen.
- verhuurdersheffing.
De systematiek van toerekening is toegelicht onder “Toerekening baten en lasten”.
Nettoresultaat verkocht vastgoed in ontwikkeling
Dit betreft de opbrengsten uit verkoopprojecten. Voor onderhanden projecten, waarvan het resultaat op betrouwbare wijze kan worden bepaald, worden de projectopbrengsten en de projectkosten verwerkt als netto-omzet en kosten in de winst-en-verliesrekening naar rato van de verrichte prestaties per balansdatum (de ‘Percentage of Completion’-methode, ofwel de PoCmethode).
De voortgang van de verrichte prestaties wordt bepaald op basis van de tot de balansdatum gemaakte projectkosten in verhouding tot de geschatte totale projectkosten. Als het resultaat (nog) niet op betrouwbare wijze kan worden ingeschat, dan worden de opbrengsten als netto-omzet verwerkt in de winst-en-verliesrekening tot het bedrag van de gemaakte projectkosten, dat waarschijnlijk kan worden verhaald; de projectkosten worden dan verwerkt in de winst- en verliesrekening in de periode waarin ze zijn gemaakt. Zodra het resultaat wel op betrouwbare wijze kan worden bepaald, vindt opbrengstverantwoording plaats volgens de PoC-methode naar rato van de verrichte prestaties per balansdatum.
Het resultaat wordt bepaald als het verschil tussen de projectopbrengsten en projectkosten. Projectopbrengsten zijn de contractueel overeengekomen opbrengsten en opbrengsten uit hoofde van meer- en minderwerk, claims en vergoedingen indien en voor zover het waarschijnlijk is dat deze worden gerealiseerd en ze betrouwbaar kunnen worden bepaald. Projectkosten zijn de direct op het project betrekking hebbende kosten, die kosten die in het algemeen aan projectactiviteiten worden toegerekend en toegewezen kunnen worden aan het project en andere kosten die contractueel aan de opdrachtgever kunnen worden toegerekend.
Indien het waarschijnlijk is dat de totale projectkosten de totale projectopbrengsten overschrijden, dan worden de verwachte verliezen onmiddellijk in de winst-en-verliesrekening verwerkt. Dit verlies wordt verwerkt in de overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille. De voorziening voor het verlies maakt onderdeel uit van de post onderhanden projecten.
De kosten die toe te rekenen zijn een de verkoop van vastgoed in ontwikkeling worden verantwoord onder de lasten verkocht vastgoed in ontwikkeling.
Netto verkoopresultaat vastgoedportefeuille
Het netto verkoopresultaat vastgoedportefeuille bestaand bezit betreft alleen vrije verkopen (dus geen koopgarant of koopcomfort) uit bestaand bezit. Dit betreft ook de verkoop van reeds eerder opgeleverde eenheden uit een nieuwbouwproject, die nog niet verkocht waren voor oplevering. De post netto verkoopresultaat vastgoedportefeuille betreft het saldo van de behaalde verkoopopbrengst minus de boekwaarde van het bestaand bezit en de toegerekende organisatiekosten. Opbrengsten worden verantwoord op het moment van levering (passeren transportakte).
Lastenverantwoording algemeen
Overige bedrijfslasten worden verantwoord in het jaar waarop ze betrekking hebben. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen direct en indirect toe te rekenen kosten.
Waardeveranderingen vastgoedportefeuille
Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille
Dit betreffen waardeverminderingen, en eventuele terugname hiervan, die gedurende het verslagjaar zijn ontstaan vanuit nieuw aangegane juridische en feitelijke verplichtingen met betrekking tot investeringen in nieuwbouw, woningverbetering en herstructurering. Ook waardeveranderingen als gevolg van projecten die geen doorgang vinden worden onder deze categorie verantwoord.
Niet-gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedportefeuille
De niet-gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedportefeuille hebben betrekking op waarde mutaties van op actuele waarde geactiveerde activa.
Niet-gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedportefeuille verkocht onder voorwaarden
In deze post worden de ongerealiseerde waardeveranderingen van de vastgoedportefeuille verkocht onder voorwaarden verantwoord die zijn ontstaan door een wijziging in de waarde van de vastgoedportefeuille verkocht onder voorwaarden in het verslagjaar. Tevens worden de waardeveranderingen van de verplichtingen vanuit verkoop onder voorwaarden hieronder verantwoord.
De waardeverandering wordt bepaald op basis van jaarlijkse prijsstijging/-daling koopwoningen, zoals door de taxateur is opgeheven. Voor Koopgarantwoningen wordt rekening gehouden met kortingspercentages die voldoen aan de regelgeving inzake Fair value.
Opbrengsten en kosten overige activiteiten
Hieronder worden onder andere de inschrijfgelden van woningzoekenden, de opbrengsten van overige dienstverlening en incidentele opbrengsten verantwoord.
Afschrijvingen (im)materiële vaste activa ten dienste van exploitatie
De afschrijvingen op onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie worden gebaseerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Immateriële vaste activa en onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie worden vanaf het moment van gereedheid voor ingebruikneming afgeschreven over de verwachte toekomstige gebruiksduur van het actief. Afschrijvingen vinden plaats volgens de lineaire methode op basis van de verwachte gebruiksduur. Met een mogelijke restwaarde wordt rekening gehouden. Over terreinen en op marktwaarde verhuurde staat gewaardeerd vastgoed in exploitatie wordt niet afgeschreven. Indien een schattingswijziging plaatsvindt van de toekomstige gebruiksduur, dan worden de toekomstige afschrijvingen aangepast. Boekwinsten en boekverliezen bij verkoop van onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie zijn begrepen onder de afschrijvingen.
Lonen, salarissen en sociale lasten
Lonen, salarissen en sociale lasten worden op grond van de arbeidsvoorwaarden verwerkt in de winst-en-verliesrekening voor zover zij verschuldigd zijn aan werknemers. Van toerekenbaarheid is sprake als de daadwerkelijke werkzaamheden in het verslagjaar hebben plaatsgevonden door de werknemers. De lonen, salarissen en sociale lasten worden aan de verschillende activiteiten toegerekend middels de systematiek toegelicht in “Toerekening baten en lasten”.
Pensioenlasten
Voor de grondslagen wordt verwezen naar de paragraaf voorziening pensioenen. De pensioenlasten worden aan de verschillende activiteiten toegerekend middels de systematiek toegelicht in “Toerekening baten en lasten”.
Overige organisatiekosten
Dit betreffen de kosten die niet aan reguliere bedrijfsactiviteiten toegerekend kunnen worden middels de systematiek toegelicht in “Toerekening baten en lasten”.
Lasten onderhoudsactiviteiten
Onder deze post worden alle direct aan het verslagjaar toe te rekenen kosten van onderhoud (anders dan groot onderhoud) verantwoord voor zover deze betrekking hebben op het vastgoed in exploitatie. Van toerekenbaarheid is sprake als de daadwerkelijke werkzaamheden in het verslagjaar hebben plaatsgevonden. Reeds aangegane verplichtingen waarvan de werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd op balansdatum worden verwerkt onder de niet uit de balans blijkende verplichtingen.
Het klachten- en mutatieonderhoud wordt onderscheiden in kosten van derden en eigen dienst, alsmede de kosten van het materiaalverbruik. In de winst-en-verliesrekening zijn de kosten van de eigen dienst opgenomen bij de kostensoort salarissen en sociale lasten. De lasten van onderhoud onderscheiden zich van activeerbare kosten van groot onderhoud omdat ze niet aan de activeringscriteria voldoen.
Leefbaarheid
Leefbaarheid omvat gemaakte kosten voor fysieke ingrepen die de leefbaarheid in buurten en wijken bevorderen. Van toerekenbaarheid is sprake als de daadwerkelijke werkzaamheden in het verslagjaar hebben plaatsgevonden. Dit betreffen naast leefbaarheidslasten ook personeelslasten en overige bedrijfslasten, toegerekend middels de systematiek toegelicht in “Toerekening baten en lasten”.
Erfpacht
Jaarlijks wordt door de gemeente voor het gebruik van de grond onder de verhuureenheden erfpacht in rekening gebracht op basis van canons. De eenmalig afgekochte meerjarige erfpachtcontracten maken onderdeel uit van de vervaardigingsprijs en zijn daarmee onderdeel van de materiële vaste activa in exploitatie en/of de vastgoedbeleggingen.
Waardeveranderingen van financiële vaste activa en van effecten
Waardevermeerderingen op effecten worden verwerkt op basis van de gerealiseerde resultaten bij verkoop. Voor aandelen verantwoord onder effecten worden waardevermeerderingen eerst verantwoord via het eigen vermogen. Het cumulatieve resultaat dat voorheen in het eigen vermogen was opgenomen wordt overgeboekt naar de winst-en-verliesrekening op het moment dat de desbetreffende aandelen niet langer in de balans worden verwerkt. (Bijzondere) waardeverminderingen op effecten worden rechtstreeks in de winst -en verliesrekening verantwoord.
Financiële baten en lasten
Rentebaten en rentelasten worden tijdsevenredig verwerkt, rekening houdend met de effectieve rentevoet van die betreffende activa en passiva. Bij de verwerking van de rentelasten wordt rekening gehouden met de verantwoorde transactiekosten op de ontvangen leningen. Deze transactiekosten worden ook meegenomen in de berekening van de effectieve rente. Aan projectinvesteringen wordt geen rente tijdens de bouw toegerekend.
Resultaat deelnemingen
Het resultaat is het bedrag waarmee de boekwaarde van de deelneming sinds de voorafgaande jaarrekening is gewijzigd als gevolg van het door de deelneming behaalde resultaat voor zover dit aan Woonbron wordt toegerekend
Belastingen
De belasting over het resultaat wordt berekend over het resultaat voor belastingen in de winst-en-verliesrekening, rekening houdend met beschikbare fiscaal compensabele verliezen uit voorgaande boekjaren (voor zover niet opgenomen in de latente belastingvorderingen) en vrijgestelde winstbestanddelen en na bijtelling van niet-aftrekbare kosten. Tevens wordt rekening gehouden met wijzigingen die optreden in de latente belastingvorderingen en latente belastingschulden uit hoofde van wijzigingen in het te hanteren belastingtarief
Algemeen
Met ingang van 2017 wordt de balans, de resultatenrekening en het kasstroomoverzicht van Woonbron administratief gescheiden in DAEB en Niet-DAEB. De onderdelen die direct toerekenbaar zijn aan DAEB of Niet-DAEB, worden als zodanig verantwoord. Voor de toedeling van de overige onderdelen naar DAEB en Niet-DAEB hanteert Woonbron zoveel als mogelijk vastlegging op het niveau van de vastgoedeenheid, dan wel op clusterniveau. De delen die zijn vastgelegd op clusterniveau worden met behulp van de oppervlakten van de vastgoedeenheden als wegingsfactor, via de vastgoedeenheden verdeeld naar DAEB en Niet-DAEB. Onderdelen die niet op het niveau van de vastgoedeenheid, dan wel op clusterniveau zijn vastgelegd worden toegerekend naar rato van de totale waarde het vastgoed in exploitatie op de balans.
Woonbron heeft de gescheiden verantwoording DAEB/ niet-DAEB opgenomen in de toelichting op de jaarrekening. De niet-DAEB activiteiten van Woonbron zien toe op:
- Het verhuren van woningen die tot de niet-DAEB tak behoren met als doel de grootstedelijke middenklasse te voorzien in hun woonbehoefte.
- Verhuur van bedrijfsmatig onroerend goed dat onlosmakelijk gekoppeld is aan DAEB/ Niet-DAEB eenheden.
- Verhuur van bedrijfsmatig onroerend goed waarop Woonbron een exit strategie heeft geformuleerd zoals verwoord in het volkshuisvestingsverslag.
| Grondslag voor scheiding | Post in gescheidenverantwoording |
|---|---|
| Directe scheiding op VHE-niveau. De opbrengsten/ kosten en kasstromen van individuele transacties worden direct toegerekend aan de individuele VHE die staat geclassificeerd als DAEB dan wel niet-DAEB. | Balans: - Voorziening onrendabele investeringen - Overlopende passiva - Verkopen onder Voorwaarde Winst-en-verliesrekening: - Huuropbrengsten - Opbrengsten servicecontracten - Verkoopopbrengsten en -lasten Kasstroomoverzicht: - Ontvangsten verhuur en servicecontracten - Desinvesteringskasstromen |
| Toerekening op complexniveau en gescheiden naar de DAEB en niet-DAEB activiteiten op basis van de relatieve verdeling van eenheden in het betreffende complex | Winst-en-verliesrekening: - Lasten servicecontracten - Lasten onderhoudsactiviteiten - Overige directe lasten exploitatie bezit - Leefbaarheid - projecten in ontwikkeling Kasstroomoverzicht: - Uitgaven servicecontracten - Uitgaven onderhoud - Investeringskasstromen in materiële vaste activa en vastgoedbeleggingen |
| Gescheiden op basis van borging van de achterliggende financiering (bijvoorbeeld WSW borging). Geborgde leningen classificeren als DAEB, niet geborgde leningen als niet-DAEB. | Balans: - Schulden/leningen kredietinstellingen - Schulden/leningen overheid - Overige schulden Winst-en-verliesrekening: - Rentebaten en rentelasten Kasstroomoverzicht: - Financieringskasstroom |
| Gescheiden op basis van omvang activiteiten in de DAEB/ niet-DAEB tak van Woonbron op basis van een algemene splitsingsfactor gebaseerd op de totaalverdeling van verhuureenheden in DAEB/ niet-DAEB De hierbij gehanteerde verdeling DAEB/ nietDAEB is: 86,13/13,87 | Balans: - Belastingen en premies sociale verzekeringen Winst-en-verliesrekening: - Lasten verhuur en beheeractiviteiten - Opbrengsten en kosten overige activiteiten - Toegerekende organisatiekosten Kasstroomoverzicht: - Personeelsuitgaven |
Grondslagen voor het opstellen van het kasstroomoverzicht volgens de directe methode
Algemeen
Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de directe methode. De liquiditeitspositie in het kasstroomoverzicht bestaat uit de liquide middelen onder aftrek van bankkredieten. In het kasstroomoverzicht wordt onderscheid gemaakt tussen operationele, investerings- en financieringsactiviteiten.
De kasstromen uit hoofde van de financiering zijn gesplitst in kasstromen met betrekking tot mutaties in de hoofdsom (opgenomen onder financieringsactiviteiten) en betaalde interest (opgenomen onder operationele activiteiten). De investeringen in materiële vaste activa worden opgenomen onder aftrek van de onder overige schulden voorkomende verplichtingen.
Ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest, ontvangen dividenden en winstbelastingen zijn opgenomen onder de kasstroom uit operationele activiteiten. Betaalde dividenden zijn opgenomen onder de kasstroom uit financieringsactiviteiten. De verkrijgingsprijs van de verworven groepsmaatschappij is opgenomen onder de kasstroom uit investeringsactiviteiten, voor zover betaling in geld heeft plaatsgevonden. De geldmiddelen die in de verworven groepsmaatschappij aanwezig zijn, zijn op de aankoopprijs in mindering gebracht. Transacties waarbij geen instroom of uitstroom van kasmiddelen plaatsvindt, waaronder het afsluiten van financiële leasing, zijn niet in het kasstroomoverzicht opgenomen. De betaling van de leasetermijnen uit hoofde van het financiële leasingcontract zijn voor het gedeelte dat betrekking heeft op de aflossing als een uitgave uit financieringsactiviteiten aangemerkt en voor het gedeelte dat betrekking heeft op de interest als een uitgave uit operationele activiteiten.
Toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening
Vaste Activa
Inmmateriele vaste activa
1. Computersoftware
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 6.953 | 6.574 |
| Cumulatieve herwaardering/afschrijving | -4.187 | -3.035 |
| Boekwaarde primo | 2.766 | 3.539 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 2.766 | 3.539 |
| Bij: investeringen | 0 | 378 |
| Af: afschrijvingen in het boekjaar | -1.059 | -1.152 |
| Totaal ultimo | 1.707 | 2.766 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 6.953 | 6.953 |
| Cumulatieve herwaardering/afschrijving | -5.246 | -4.187 |
| Boekwaarde ultimo | 1.707 | 2.766 |
Vastgoedbeleggingen
2. DAEB vastgoed in exploitatie
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 2.233.553 | 2.160.050 |
| Cumulatieve herwaardering | 3.062.223 | 2.826.558 |
| Boekwaarde primo | 5.295.775 | 4.986.607 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Reële waarde primo | 5.295.775 | 4.986.607 |
| Mutaties in reële waarde | ||
| Niet gerealiseerde waardeverandering | 304.962 | 275.476 |
| Mutatie investeringen aankoop | 0 | 791 |
| Mutatie investeringen (ver)nieuwbouw | 55.571 | 11.442 |
| Mutatie investeringen renovatie/verbetering | 32.100 | 29.246 |
| Mutatie overheveling van/naar voorraad voor verkoop | 10.244 | 13.313 |
| Mutatie overheveling van/naar activa ten dienste van en overige mutaties | -117 | 107 |
| Mutatie overheveling van DAEB naar niet-DAEB | -2.740 | 1.040 |
| Mutatie desinvesteringen verkopen (vrije verkopen en VOV) | -32.905 | -22.248 |
| Mutatie desinvesteringen sloop | -13.787 | 0 |
| Reële waarde ultimo | 5.649.102 | 5.295.775 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 2.310.123 | 2.233.553 |
| Cumulatieve herwaardering | 3.338.979 | 3.062.223 |
| Boekwaarde ultimo | 5.649.102 | 5.295.775 |
3. Niet-DAEB vastgoed in exploitatie
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 383.149 | 384.543 |
| Cumulatieve herwaardering | 476.674 | 430.956 |
| Boekwaarde primo | 859.823 | 815.498 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Reële waarde primo | 859.823 | 815.500 |
| Mutaties in reële waarde | ||
| Niet gerealiseerde waardeverandering | 67.385 | 52.370 |
| Mutatie investeringen aankoop | 0 | 0 |
| Mutatie investeringen (ver)nieuwbouw | 8.727 | 0 |
| Mutatie investeringen renovatie/verbetering | 1.038 | 594 |
| Mutatie overheveling van/naar voorraad voor verkoop | 1.259 | 1.625 |
| Mutatie overheveling van/naar activa ten dienste van en overige mutaties | -106 | 105 |
| Mutatie overheveling van DAEB naar niet-DAEB | 2.740 | -1.040 |
| Mutatie desinvesteringen verkopen (vrije verkopen en VOV) | -27.427 | -9.327 |
| Mutatie desinvesteringen sloop | -448 | 0 |
| Reële waarde ultimo | 912.992 | 859.823 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 385.028 | 383.149 |
| Cumulatieve herwaardering | 527.964 | 476.674 |
| Boekwaarde ultimo | 912.992 | 859.822 |
Totaal tabel 2 en 3 vastgoed in exploitatie
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 2.616.702 | 2.544.593 |
| Cumulatieve herwaardering | 3.538.897 | 3.257.514 |
| Boekwaarde primo | 6.155.599 | 5.802.106 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Reële waarde primo | 6.155.598 | 5.802.107 |
| Mutaties in reële waarde | ||
| Niet gerealiseerde waardeverandering | 372.347 | 327.846 |
| Overige mutaties | ||
| Mutatie investeringen aankoop | 0 | 791 |
| Mutatie investeringen (ver)nieuwbouw | 64.298 | 11.442 |
| Mutatie investeringen renovatie/verbetering | 33.138 | 29.840 |
| Mutatie overheveling van/naar voorraad voor verkoop | 11.503 | 14.938 |
| Mutatie overheveling van/naar activa ten dienste van en overige mutaties | -223 | 208 |
| Mutatie overheveling van DAEB naar niet-DAEB | 0 | 0 |
| Mutatie desinvesteringen verkopen (vrije verkopen en VOV) | -60.333 | -31.575 |
| Mutatie desinvesteringen sloop | -14.235 | 0 |
| Reële waarde ultimo | 6.562.094 | 6.155.598 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 2.695.151 | 2.616.702 |
| Cumulatieve herwaardering | 3.866.943 | 3.538.897 |
| Boekwaarde ultimo | 6.562.094 | 6.155.598 |
In de totale reële waarde zit voor € 4.010,0 miljoen herwaarderingsreserve inbegrepen.
De totale WOZ-waarde van de eenheden in exploitatie bedraagt € 9.375,8 miljoen (waardepeildatum 1-1-2024). Voor 2026 is de verwachting dat er 469 eenheden worden verkocht met een totale verkoopomzet van 145 miljoen.
Algemene ontwikkelingen
De woningmarkt laat de afgelopen jaren een stijgende trend zien. Vanaf medio 2024 zien we een aanzienlijke stijging van de huizenprijzen, mede door de lage hypotheekrentes en de aanhoudend grote vraag. Deze stijging betreft de particuliere transacties. Daarnaast zijn ook de vooruitzichten van beleggingsmarkt voor woningen nog steeds positief gestemd. De ontwikkeling van de beleggingsrendementen van de woningmarkt is stabiel gebleven ten opzichte van vorig jaar.
In de beleggingsmarkt zijn de transacties beperkt, met voornamelijk overdracht van risicobeperkt vastgoed (duurzame beleggingsobjecten). De transacties die plaatvinden hebben hogere rendementen ingerekend in vergelijking met oudere vergelijkbare transacties. Invloed op deze stijging is de wet betaalbare huur die het gereguleerde segment heeft uitgebreid tot en met 186 punten. Daarnaast is door deze wetgeving ook de opbouw van de WWS punten aangepast, waardoor duurzaam vastgoed het aantal punten positief beïnvloedt en slecht energetisch vastgoed het aantal punten fors negatief beïnvloedt. Hierdoor zijn de beleggingstransacties die plaatsvinden voornamelijk aangegaan met als doel om bij mutatie de woningen op de particuliere markt te verkopen. Dit aankoopdoel is ongewijzigd ten opzichte van vorig jaar.
Na fluctuerende marktontwikkelingen en economische vooruitzichten in zowel 2022 als 2023, is er sinds 2024 een stabilisatie waarneembaar in de parameters. Dit betreft de parameters prijsinflatie, looninflatie, bouwkostenstijging en huurindex. Deze stabilisatie is ook in 2025 waarneembaar.
Sinds 1-1-2023 is de overdrachtsbelasting voor beleggingstransacties verhoogd naar 10,4%. Per 1-1-2026 zal de overdrachtsbelasting weer verlaagd worden naar 8%. Deze toekomstige wijziging heeft een positief effect op de eindwaarde.
In de onderstaande paragraaf wordt de waardeontwikkeling nader toegelicht aan de hand van de belangrijkste variabelen in de marktwaarde.
Handboek modelmatig waarderen marktwaarde: Vrijheidsgraden
Zowel het DAEB- als het niet-DAEB-vastgoed in exploitatie is gewaardeerd tegen de marktwaarde in verhuurde staat die is bepaald op basis van het ‘Handboek modelmatig waarderen marktwaarde’. Hierbij wordt op basis van de toekomstige kasstromen de marktwaarde middels de Discounted Cash Flow (DCF) Methode bepaald. In het handboek wordt beschreven hoe de verschillende parameters in de marktwaarde moeten worden bepaald. In samenspraak met onze taxateurs is er ruimte om vrije invulling te geven aan een aantal van deze parameters, dit noemen we de vrijheidsgraden. Onderstaand wordt de invulling van de gehanteerde vrijheidsgraden nader toegelicht:
Markthuur
De gerealiseerde huurprijzen van een groot aantal vrije sector transacties van grootstedelijke corporaties zijn geanalyseerd en gehanteerd voor de modelmatige bepaling van de markthuren. Op basis van de markthuurtabel liggen de markthuren voor zelfstandige woningen eind 2025 tussen de 2,65% (grote eengezinswoningen en appartementen) en 8,3% (kleine eengezinswoningen) van de leegwaarde. Uitzonderingen hierop zijn door de externe taxateurs of asset managers doorgevoerd op complex specifieke situaties. De gemiddelde markthuur van de woningen is hiermee met 3,9% gestegen. Het marktwaarde-effect van de markthuur op portefeuilleniveau bedraagt € 32 miljoen positief.
Leegwaarde
De leegwaarde per eind 2025 is voor de woningcomplexen modelmatig bepaald op basis van referentietransacties. Bij de complexen waar sprake is van een volledige taxatie hebben de taxateurs de leegwaarden getoetst aan marktontwikkelingen en transacties buiten het model om. De leegwaardes uit de interne waardering zijn intern getoetst en waar nodig bijgesteld.
Gemiddeld is de leegwaarde per woning in de gehele Woonbronportefeuille in 2025 gestegen met 5,6%. Op portefeuille niveau is dit een marktwaarde-effect van € 182 miljoen positief. De gemiddelde leegwaarde per woning komt daarmee op € 303.000. De gemiddelde leegwaarde per vierkante meter bedraagt € 4.005.
Leegwaardestijging
De verwachte ontwikkeling van de leegwaarde voor de komende jaren is opgesteld in samenspraak met de taxateurs en het marktwaarde overleg. Overeenkomstig met de verwerking van de leegwaardeontwikkeling van vorig jaar is deze index bepaald per wijk. Voor 2026 wordt er uitgegaan van een verdere stijging van de leegwaarde. Voor de lange termijn wordt er toegewerkt naar een ontwikkeling van 2,0% per jaar gelijk aan de langjarige inflatie. Ondanks de positieve inschatting is het marktwaarde-effect € 94 miljoen negatief, vanwege de lagere toekomstige inschatting van de leegwaardestijging ten opzichte van vorig jaar.
| Leegwaardeontwikkeling | 2026 | 2027 e.v. |
|---|---|---|
| Alle marktgebieden | 4,00% | 2,00% |
Disconteringsvoet
Voor de opbouw van de disconteringsvoet is afgeweken van de systematiek zoals beschreven in het handboek. Woonbron sluit voor de bepaling van de disconteringsvoet aan bij de best practice die in is ontwikkeld door fullversie-corporaties en taxateurs.
De disconteringsvoet bestaat uit een risicovrije rentevoet en verschillende risico-opslagen. De risicovrije rente geldt als algemene basis voor verschillende rentetarieven en is dus niet beïnvloedbaar door het bezit. Om tot de basis disconteringsvoet te komen, wordt de risicovrije rente opgehoogd met een sectoropslag. Deze opslag wordt opgebouwd middels een systeem waarin de risico's op de exploitatie worden gescoord.
In 2025 is de basis disconteringsvoet vastgesteld op 5,2%. Ten opzichte van 2024 is de basisdisconteringsvoet daarmee gelijk gebleven. Dit is het gevolg van de stabilisatie van de marktontwikkelingen en economische vooruitzichten. Echter, de opbouw van de object specifieke opslagen van de disconteringsvoet zijn in 2025 wel verder aangescherpt. Hierdoor zijn grotere verschillen zichtbaar tussen jong en duurzaam vastgoed en oudere vastgoed waar nog een grote opgave bij hoort. Ook het verschil in disconteringsvoet tussen het uitpondscenario en het doorexploiteerscenario is groter geworden.
De taxateurs hebben hierbij op complexniveau nog andere bijstellingen gedaan om tot een marktconforme waarde te komen. De totale disconteringsvoet van de woningen ligt daarmee binnen de bandbreedte van 5,2% en 9,0%. Met een gemiddelde van 7,3% eind 2025. Dit is een daling van -0,08%-punt ten opzichte van ultimo 2024 (7,4%). Het marktwaarde-effect van de disconteringvoet op portefeuilleniveau bedraagt € 84 miljoen positief.
Onderhoud
Voor 2025 is conform de werkwijze van de afgelopen jaren aangesloten bij de meest recente onderhoudsnormen per vastgoedtype. Hiervoor is de Vastgoed Taxatiewijzer 2025 (Koëter) gehanteerd.
De gemiddeld gehanteerde onderhoudsnorm in de marktwaardeberekening bedraagt € 1.934 per woning per jaar voor de exploitatiescenario’s en € 1.193 voor de uitpondscenario’s. Alle woningen kennen binnen het winnende scenario een onderhoudsnorm binnen de bandbreedte van € 385 en € 2.519 afhankelijk van het type woning, leeftijd en oppervlak. Ten opzichte van vorig jaar zijn de onderhoudslasten in beide scenario’s tussen de 1,2% en 2,8% gestegen. Het marktwaarde-effect van de instandhoudings- en mutatieonderhoud op portefeuilleniveau bedraagt €12 miljoen negatief.
Het totale achterstallig onderhoud in de marktwaarde is € 260 miljoen voor 2025 (€ 206 miljoen voor 2024). Vanwege het marktwaarde minimum van € 0,- is niet al het opgevoerde achterstallig onderhoud verwerkt in de uiteindelijke waarde. Het marktwaarde-effect op portefeuilleniveau bedraagt € 19 miljoen negatief.
Mutatie- en verkoopkans
De mutatiegraad uitponden en doorexploiteren wordt per cluster bepaald op basis van een vijfjaars-gemiddelde. De in de waardering gehanteerde mutatiegraad ligt in 2025 tussen de 4% en 31%. De mutatiegraad van het winnende scenario stijgt met 0,07% en komt daarmee op 6,82%. Deze stijging heeft op portefeuilleniveau een effect van € 9,2 miljoen positief.
Bijzondere omstandigheden
Verkoopkader gemeente Rotterdam
Aanvullend op het achterstallig onderhoud wordt vanuit het verkoopkader van de Gemeente Rotterdam een correctie opgenomen voor een slecht energielabel (EFG). De kosten voor de verkoopverplichting zitten verwerkt in het totaal achterstallig onderhoud, benoemd onder onderhoud.
Erfpacht
Het merendeel van de grond die in erfpacht is uitgegeven aan Woonbron is eeuwigdurend afgekocht. Er zijn voor enkele complexen canon- of afkoopbetalingen in de waarderingen verwerkt. Ook is er sprake van bijbetaling voor functiewijziging op grond in Rotterdam (ca. 6.700 woningen) en Nissewaard (ca 3.000 woningen Spijkenisse). De effecten hiervan zijn nominaal verwerkt in de marktwaarde verhuurde staat. Het uitgangspunt daarbij is dat de kosten voor de wijziging naar een commerciële bestemming bij complexgewijze verkoop in mindering moet worden gebracht op de waarde. Ultimo 2025 is de marktwaarde met een totaalbedrag van € 78 miljoen beklemd als gevolg van deze bijbetalingsregeling en erfpachtafkopingen. Ook hier geldt het marktwaarde minimum van € 0,-, waardoor niet al het opgevoerde erfpacht terugkomt in de marktwaarde. Het marktwaarde-effect ten opzichte van vorig jaar op portefeuilleniveau bedraagt ten opzichte van voorgaand jaar € 45 miljoen positief. Dit positieve verschil komt door de inwerkingtreding van de nieuwe bijbetalingsregeling Rotterdam.
De nieuwe rekenmethodiek zorgt voor een verlaging van de te betalen bijbetaling, omdat er rekening wordt gehouden met de looptijd dat het object sociaal is geëxploiteerd. Dit betekent dat woningen met een bouwjaar jonger dan 15 jaar voor 100% bijbetalen. Hierna loopt de bijbetaling lineair af tot 0% in jaar 50.
Beleidsmatige beschouwing op het verschil tussen de marktwaarde en de beleidswaarde van het vastgoed in exploitatie
Per 31 december 2025 is in totaal € 4.010 miljoen (zie mutatie overzicht reële waarde) aan ongerealiseerde herwaarderingen in de overige reserves begrepen (2024: € 3.681 miljoen) uit hoofde van de waardering van het vastgoed in exploitatie tegen marktwaarde in verhuurde staat. De waardering van dit vastgoed is in overeenstemming met het Handboek modelmatig waarderen bepaald en is daarmee conform de in de Woningwet voorgeschreven waarderingsgrondslag en daaruit afgeleide ministeriële besluiten geldend ten tijde van het opmaken van de jaarverslaggeving.
De realisatie van deze ongerealiseerde herwaardering is sterk afhankelijk van het te voeren beleid van Woonbron. De mogelijkheden voor de corporatie om vrijelijk door (complexgewijze) verkoop of huurstijgingen de marktwaarde in verhuurde staat van het DAEB-bezit in exploitatie te realiseren zijn beperkt door wettelijke maatregelen en maatschappelijke ontwikkelingen zoals demografie en ontwikkeling van de behoefte aan sociale (DAEB) huurwoningen. Omdat de doelstelling van de corporatie is om duurzaam te voorzien in passende huisvesting voor hen die daar niet zelf in kunnen voorzien, zal van het vastgoed in exploitatie slechts een beperkt deel vervreemd worden. Daarnaast zal bij mutatie van de woning slechts in uitzonderingssituaties de huur worden verhoogd tot de markthuur en zijn de werkelijke onderhouds- en beheerlasten hoger dan ingerekend in de marktwaarde, voortvloeiend uit de beoogde kwaliteit- en beheersituatie van de corporatie. Als laatste is het risicoprofiel van corporatiebezit aanzienlijk lager dan die van de markt, wat een waarde opdrijvend effect heeft.
Dit betekent dat slechts een deel van de in de jaarrekening verantwoorde marktwaarde (en daarmee van het eigen vermogen) in de toekomst zal worden gerealiseerd. De schatting hiervan ligt in lijn met het verschil tussen de beleidswaarde van het bezit in exploitatie en de marktwaarde in verhuurde staat van dit bezit en bedraagt circa € 2,036,4 miljoen. Het verschil tussen de marktwaarde en de beleidswaarde ultimo 2025 bestaat uit de volgende onderdelen.
| x € 1.000 | |
|---|---|
| Marktwaarde verhuurde staat met na-investeringen | 6.562.094 |
| Na-investeringen | -14.532 |
| Marktwaarde verhuurde | 6.547.562 |
| Beschikbaarheid (scenario) | -592.917 |
| Beschikbaarheid (eindwaarde) | -145.553 |
| Beschikbaarheid (60 jaar) | -331.331 |
| Beschikbaarheid (overdrachtskosten) | 587.236 |
| Betaalbaarheid | -1.184.842 |
| Kwaliteit (onderhoud) | -1.286.481 |
| Kwaliteit (EFG-labels) | -23.871 |
| Beheer | -309.039 |
| Disconteringsvoet | 1.250.412 |
| Beleidswaarde | 4.511.177 |
Dit impliceert dat circa 38% van het totale eigen vermogen niet of pas op zeer lange termijn realiseerbaar is. In onderstaande tabel wordt aangegeven welk effect een positieve of negatieve aanpassing ten opzichte van de gehanteerde uitgangspunten heeft op de beleidswaarde. Voor beleidswaarde is met een gemiddelde norm gerekend, zie hieronder.
| Categorie beleidswaarde | Norm 2025 | Norm 2024 |
|---|---|---|
| Streefhuur | €781 | € 745 |
| Onderhoudskosten incl. achterstallig onderhoud | €3.299 | € 3.074 |
| Beheerkosten | €1.210 | € 1.145 |
| Disconteringsvoet | 4,22% (DAEB) 4,76% (Niet-DAEB) | 4,17% (DAEB) 4,70% (Niet-DAEB) |
Dit bedrag bestaat voor 2025 uit € 3.181 onderhoudsnorm en € 118 achterstallig onderhoud. Voor 2024 is € 2.964 (onderhoudsnorm) en € 110 (achterstallig onderhoud)
Streefhuur
Het streefhuurbeleid van Woonbron is als volgt:
De beleidshuur die bij mutatie gevraagd wordt is het minimum tussen de streefhuur en de toegewezen huurcategoriegrens. Asset management bepaalt op eenheidsniveau het streefhuurpercentage en de huurcategoriegrens. Het percentage van de streefhuur is over het algemeen 95% voor DAEB bezit en 100% niet-DAEB bezit en wordt toegepast op de maximaal redelijk huur om tot de streefhuur te komen.
Naast de beleidshuur wordt ook de vastgestelde huurindexatie voor sociale huurgrens, middenhuur en vrije sector woningen uit de meerjarenbegroting 2026-2035 toegepast voor het inschatten van de kasstromen.
Erfpacht en bijbetaling
Niet al het vastgoed van Woonbron is op volledig eigendom of is het erfpacht eeuwigdurend afgekocht. Voor het vastgoed op (tijdelijk afgekocht) erfpacht wordt de contante waarde ingerekend voor de toekomstige investering die gedaan zal moeten worden om de grond eeuwig durend in exploitatie te houden.
Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe bijbetalingsregeling Rotterdam per 1 juli 2025 moet er ook bijbetaald worden bij nieuwe liberalisaties naar de vrije sector huur.
Onderhoud
De ingerekende onderhoudslasten bestaan uit de volgende elementen:
- Reparatie onderhoud
- Mutatie onderhoud
- Contract onderhoud
- Planmatig onderhoud
Woonbron beschikt over een door het bestuur en Raad van Commissarissen goedgekeurde meerjarenbegroting voor 10 jaar. Deze meerjarenbegroting is gebaseerd op de meerjarenonderhoudsbegroting (hierna: MJOB) waarin de toekomstige onderhoudslasten zijn opgenomen.
De in de MJOB opgenomen geschatte lasten inzake reparatie onderhoud alsmede mutatie onderhoud zijn mede gebaseerd op ervaringscijfers vanuit het verleden.
De geschatte contractonderhoudsbegroting is gebaseerd op aangegane respectievelijk naar verwachting af te sluiten onderhoudscontracten voor de betreffende installaties.
Het planmatige onderhoud is gebaseerd op de MJOB van Woonbron. De MJOB gaat uit van al die werkzaamheden die meerjarig (zowel de lange als korte onderhoud cycli) moeten worden uitgevoerd om een complex in voldoende technische en bouwkundig staat te houden.
De MJOB is gebaseerd op de bekende onderhoudsstaat van het bezit (best mogelijke inschatting). De huidige conditiescores zijn niet altijd actueel en grotendeel gebaseerd op conditiemetingen ouder dan 3 jaar. Om dit op orde te brengen is in 2024 het verbetertraject ‘Betrouwbare MJOB’ gestart. Naar verwachting is het verbetertraject maart 2027 gereed. Begin 2026 is de eerste tranche van conditiemetingen en de vertaling naar MJOB op complexniveau, gereedgekomen. De uitkomsten hiervan zijn vergeleken met de MJOB welke is ingerekend in de begroting. Hierop heeft een bijstelling plaatsgevonden op het ingerekende onderhoud in de beleidswaarde op portefeuilleniveau. Momenteel wordt de MJOB herijkt, onder meer gericht op het vaststellen dat alle relevante onderhoudsaspecten zijn opgenomen. Voor de jaarrekening 2026 zullen alle MJOB’s die tot en met 2026 gereedkomen in de beleidswaarde worden verwerkt. Dit kan leiden tot een andere onderhoudsnorm wat een effect heeft op de hoogte van de beleidswaarde.
Als onderdeel van de totale verbetering van de MJOB, toegewerkt wordt naar een cyclus van conditiemetingen volgens de NEN-normen, waarin eens in de 3 jaar ieder complex wordt opgenomen.
Voor zolang deze cyclus nog niet volledig wordt gevolgd, wordt de onderhoudsstaat inzichtelijk gehouden door separate toetsingen van de belangrijkste bouwdelen.
Omdat de bepaling van de onderhoudsstaat nog niet volgens de gewenste conditiemetingen (in een cyclus van 3 jaar) heeft plaatsgevonden, is de MJOB op basis van de volgde methode opgesteld:
- jaar 1; taakstellend
- jaar 2 en 3; gemotiveerd en onderbouwd
- jaar 4 en verder; op basis van onderhoudscycli.
Voor de eerste jaren wordt hierbij tevens rekening gehouden met zowel de organisatorische als de financiële mogelijkheden in de jaren, met als mogelijk effect verschuiving (uitvlakking) van activiteiten binnen deze jaren.
Ondanks de genoemde ontwikkelingen is Woonbron van mening dat de MJOB op bezitsniveau een voldoende betrouwbare horizon van 60 jaar kent.
De MJOB wordt opgesteld door de onderhoudsafdeling en omvat de geplande onderhoudsactiviteiten. De horizon van de onderhoudsbegroting is 60 jaar. Bij de bepaling van de MJOB wordt rekening gehouden met het bouwjaar van de woningen, of verwachte toekomstige ingrijpende verbouwingen, renovaties, sloop, nieuwbouw en verkoop. Daarnaast wordt er bij het opstellen van de MJOB ook rekening gehouden met:
| Type | Periodiciteit |
|---|---|
| Buitenschilderwerk: | 7 jaar |
| Binnen schilderwerk: | 14 jaar |
| CV Installaties individueel: | 18 jaar |
| CV Installaties collectief: | 18 jaar |
| Mechanische Installaties: | 20/24 jaar |
| Balansventilatie: | 18 jaar |
| Dakbedekking: (vervangen) | 48 jaar |
| Voegwerk: | 36 jaar |
| Kozijnvervanging: | 48 jaar |
| Keukens, badkamers, toilet: | 20/35 jaar |
- Nulmetingen en conditiemetingen: Om de MJOB te onderbouwen, worden nulmetingen uitgevoerd, zoals bij daken. Het doel van nulmetingen is om het budget nauwkeuriger te kunnen inschatten en de voorspelbaarheid te verbeteren. Conditiemetingen voor gevels en installaties worden uitgevoerd in samenwerking met gespecialiseerde partners.
'- Reparatieonderhoud en risicoanalyse: Jaarlijks wordt een analyse uitgevoerd op het reparatieonderhoud en of op basis van deze analyse nog aanpassingen gedaan moeten worden in het planmatig onderhoud/ de MJOB.
De impact van een eventuele individuele verschuiving in de tijd van planmatig onderhoud in de 60 jaar prognose is van geringe betekenis op de uitkomst van de beleidswaarde als geheel. Daarnaast zal een verschuiving van het onderhoud op complexniveau gecompenseerd kunnen worden met een verschuiving bij een ander complex. De omvang van het planmatige onderhoud als geheel tendeert derhalve naar een ideaalcomplex.
De MJOB is opgesteld rekening houdend met verwachte toekomstige ingrijpende verbouwingen, renovaties, sloop, nieuwbouw en verkoop. Ten behoeve van de beleidswaarde die gebaseerd dient te worden op een doorlopende exploitatieperiode van 60 jaar zijn de volgende uitgangspunten in de MJOB gehanteerd:
- - Sloopcomplexen zijn opgevoerd qua verwacht onderhoud op basis van het behouden van voldoende technische en bouwkundige staat;
- - Nieuwbouw en verkoop is buiten beschouwing gelaten.
EFG-labels
Onderstaand de correcties die zijn toegepast in het achterstallig onderhoud voor het wegwerken van de EFG-labels.
| Verplichting (prijspeil 31-12-2025) | ||
|---|---|---|
| EFG labels | Zelfstandige woongelegenheden | Onzelfstandige woongelegenheden |
| E | €5.056 | €2.161 |
| F | €9.399 | €3.902 |
| G | €15.955 | €6.724 |
Achterstallig onderhoud
Voor de beleidswaarde achterstallig onderhoud hanteert Woonbron de informatie uit projectcalculatie/onderzoeksrapporten/offertes. Achterstallige componenten welke opgenomen zijn in de MJOB als planmatig onderhoud zijn niet meegenomen als separate afslag op de beleidswaarde.
Beheerlasten
De beheerlasten is gebaseerd op de door het bestuur en Raad van Commissarissen goedgekeurde Meerjarenbegroting 2026-2035.
Gevoeligheidsanalyse
| Mutatie t.o.v. uitgangspunt | Effect op beleidswaarde | |
|---|---|---|
| Sociale disconteringsvoet | 0,5% hoger | - 517 miljoen |
| 0,5% lager | + 613 miljoen | |
| Streefhuur | 25,- hoger | +191 miljoen |
| 25,- lager | - 248 miljoen | |
| Lasten onderhoud en beheer per jaar | 100,- hoger | - 143 miljoen |
| 100,- lager | + 143 miljoen |
Disconteringsvoet
Om de kosten en risico’s van het verhuren van corporatievastgoed beter te waarderen wordt in de nieuwe beleidswaarde methodiek gerekend met een sociale disconteringsvoet.
4 Onroerende zaken, verkocht onder voorwaarden
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 765.124 | 766.975 |
| Cumulatieve herwaardering | 882.352 | 718.199 |
| Boekwaarde primo | 1.647.476 | 1.485.174 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 1.647.476 | 1.485.174 |
| Mutatie uit terugkopen | -74.588 | -70.196 |
| Mutatie uit verkopen | 29.835 | 34.265 |
| Mutatie uit waardeveranderingen | 95.281 | 198.233 |
| Totaal ultimo | 1.698.004 | 1.647.476 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 760.219 | 765.124 |
| Cumulatieve herwaardering | 937.785 | 882.352 |
| Boekwaarde ultimo | 1.698.004 | 1.647.476 |
In 2025 zijn 316 eenheden (in 2024, 339 eenheden) teruggekocht en 128 eenheden (in 2024, 169 eenheden) verkocht onder voorwaarden (inclusief wederverkopen). Door de daling in het aantal verkochte eenheden onder voorwaarden, daalt de balanspost onroerende zaken, verkocht onder voorwaarden. De stijging van de balanspost komt dus in zijn geheel door de waardeverandering. Dit komt voornamelijk doordat de terugkoopprijs van de teruggekochte eenheden lager is dan de verkoopprijs van de nieuwe of wederverkopen. Voor de bepaling van de waardestijging c.q. daling bij verkopen onder voorwaarden wordt gebruik gemaakt van dezelfde leegwaardeontwikkelingspercentages die ook voor de marktwaarde van het vastgoed in exploitatie gehanteerd wordt. Eind 2025 zijn er in totaal 6.755 eenheden (2024 6.943 eenheden) verkocht onder voorwaarden. De daling is een gevolg van de beleidsinzet om de verplichting vanuit de verkochte eenheden onder voorwaarden te beperken.
5. Vastgoed in ontwikkeling bestemd ten dienste van eigen exploitatie vastgoedbeleggingen
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 83.028 | 49.921 |
| Cumulatieve waardevermindering | -37.833 | -33.652 |
| Boekwaarde primo | 45.193 | 16.269 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 45.193 | 16.269 |
| Bij: Investeringen | 72.395 | 48.537 |
| Bij: inbrengwaarde grond | 14.176 | 1.573 |
| Bij: geactiveerde bedrijfskosten | 1.401 | 1.345 |
| Af: overheveling grondwaarde sloopproject naar nieuwbouwproject | -2.359 | -5.516 |
| Af: overheveling naar activa in exploitatie vanuit (ver)nieuwbouw | -64.298 | -11.442 |
| Af:overheveling naar voorraad verkopen | 0 | 0 |
| Af: onttrekking van voorziening onrendabele toppen/overige | 2.869 | -5.571 |
| Totaal ultimo | 69.378 | 45.193 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 98.401 | 83.028 |
| Cumulatieve waardevermindering | -29.023 | -37.833 |
| Boekwaarde ultimo | 69.378 | 45.193 |
6. Onroerende en roerende zaken voor eigen exploitatie
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 32.872 | 32.206 |
| Cumulatieve herwaardering | -13.785 | -11.649 |
| Boekwaarde primo | 19.087 | 20.558 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 19.087 | 20.558 |
| Investeringen | 1.263 | 1.527 |
| Mutatie verschuiving van activa in exploitatie naar/van activa ten dienste van | 223 | -208 |
| Desinvestering | -2.553 | -142 |
| MvA naar voorraad | 0 | 0 |
| Af: Desinvestering sloop/buiten gebruik | 0 | -32 |
| Afschrijvingen in het boekjaar | -2.216 | -2.616 |
| Totaal ultimo | 15.804 | 19.087 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Cumulatieve verkrijgingsprijs | 30.500 | 32.872 |
| Cumulatieve herwaardering | -14.696 | -13.785 |
| Boekwaarde ultimo | 15.804 | 19.087 |
7. Deelnemingen in groepsmaatschappijen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Woonbron Holding BV | 0 | 625 |
| Boekwaarde primo | 0 | 625 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 625 | 1.195 |
| Af: resultaat | -625 | -570 |
| Totaal deelnemingen in groepsmaatschappijen | 0 | 625 |
8. Vorderingen op groepsmaatschappijen
| (Bedragen in EUR 1.000) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Woonbron Holding BV | 12.220 | 11.220 |
| Totaal | 12.220 | 11.220 |
9. Andere deelnemingen
| Eigen vermogen | Eigen vermogen | |
|---|---|---|
| 2025 | 2024 | |
| NV Stadsherstel Rotterdam (3% deelneming) | 611 | 570 |
| WOM Mathenesserkwartier BV (33,3% deelneming) | 1.454 | 1.308 |
| Totaal andere deelnemingen | 2.064 | 1.878 |
| Bedragen x € 1.000 | NV Stadsherstel Rotterdam (3% deelneming) | WOM Mathenesser-kwartier BV (33,3% deelneming) | Totaal |
|---|---|---|---|
| Saldo primo | 570 | 1.308 | 1.878 |
| Af/bij: resultaat | 40 | 146 | 187 |
| Totaal ultimo | 611 | 1.454 | 2.064 |
10. Latente belastingvordering(en)
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 8.498 | 5.718 |
| Mutatie vanuit fiscaal resultaat | 0 | 0 |
| Mutatie vanuit (tijdelijk verschil waardering fiscaal/commercieel) | 5.168 | 2.780 |
| Totaal Ultimo | 13.666 | 8.498 |
verliezen en betreft een saldering van latente belastingvorderingen en latente belastingverplichtingen.
Het afzonderlijke verloop van de latente belastingvorderingen en latente belastingverplichtingen is als volgt:
latente belastingvordering
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 11.952 | 12.268 |
| Mutatie vanuit fiscaal resultaat | 0 | 0 |
| Mutatie vanuit (tijdelijke verschil waardering fiscaal/commercieel | 3.029 | -315 |
| Totaal Ultimo | 14.981 | 11.952 |
latente belastingverplichting
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | -3.455 | -6.550 |
| Mutatie vanuit fiscaal resultaat | 0 | 0 |
| Mutatie vanuit (tijdelijke verschil waardering fiscaal/commercieel | 2.139 | 3.095 |
| Totaal Ultimo | -1.315 | -3.455 |
| Onderdeel | Specifiek verschil | Toelichting | Waarde verschil nominaal x € 1.000 | Latentie 2025 | Latentie 2024 |
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1.000 | x € 1.000 | ||||
| Vastgoed-beleggingen | Totaal verschil commerciële waarde versus fiscale waarde minus het aandeel in de verkoopvijver | Het verschil tussen hogere marktwaarde dan de fiscale waarde voor eenheden die niet in de verkoopvijver zitten, komt pas op zeer lange termijn tot uiting en tendeert daarmee netto contant naar nihil. | 2.365.021 | 0 | 0 |
| Verschil bij eenheden in verkoopvijver | Het verschil tussen hogere marktwaarde dan de fiscale waarde komt slechts voor de eenheden die in de scope van de verkoopvijver zitten binnen afzienbare tijd tot uiting, tenzij hiervoor gebruik gemaakt wordt van de HerInvesteringsReserve. | 19.533 | 0 | -4.836 | |
| Afschrijvingspotentieel | Op de marktwaarde wordt niet afgeschreven. Fiscaal kan er worden afgeschreven voor zover de fiscale waarde hoger is dan de WOZ waarde. | -5.106 | 1.235 | 2.522 | |
| Materiele vaste activa ten dienste van | Verschil tussen fiscale en commerciële waarde | Verschil ontstaat met name door fiscaal andere afschrijvingsmethode dan commercieel. | -6.393 | 1.163 | 1.255 |
| Materiele vaste activa in ontwikkeling | Totaal verschil commerciële waarde versus fiscale waarde van activa in ontwikkeling voor eigen gebruik | De verschillen betreffen vooral de hogere inbrengwaarde bij sloop/nieuwbouw en het fiscaal niet afwaarderen van het “onrendabele deel”. Omdat het verschil na oplevering blijft zitten in de vastgoedbelegging, tendeert deze dus netto contant weer naar nihil. | -78.390 | 0 | 0 |
| Voorraden | Vastgoed bestemd voor de verkoop | Betreft zowel teruggekochte eenheden tbv wederverkoop (verschil als gevolg van een fiscaal andere waardering van Verkocht Onder Voorwaarden dan commercieel) als voorraad vanuit opgeleverd projectontwikkeling (momenteel alleen grondposities na sloop tbv verkoop), waarbij het verschil zit in de fiscale boekwaarde als inbrengwaarde in combinatie met het feit dat er fiscaal geen sprake van onrendabele toppen is. | -38.605 | 9.731 | 9.148 |
| Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor de verkoop | De fiscale boekwaarde als inbrengwaarde in combinatie met het feit dat er fiscaal geen sprake van onrendabele toppen is, zorgt voor verschillen. | -5.058 | 1.275 | 728 | |
| Onderhanden projecten | Onderhanden projecten in opdracht van derden | Zie “Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor de verkoop”. | 842 | -212 | 338 |
| Voorziening onrendabele investeringen | Fiscaal bestaat deze post niet, waarmee de voorziening ook direct het verschil betreft. Via de materiele vaste activa in ontwikkeling komt het verschil na oplevering terecht in de vastgoed beleggingen en tendeert deze dus netto contant weer naar nihil. | 28.381 | 0 | 0 | |
| Overige voorzieningen | Voorziening huurbeleid specifieke complexen | De voorziening huurbeleid wordt fiscaal niet gevolgd en veroorzaakt daarmee het verschil. De voorziening is in 2022 vrijgevallen ten gunst van het commerciele resultaat. | 0 | 0 | 0 |
| Overige voorzieningen | Voorziening loopbaanbudget | De voorziening loopbaanbudget wordt fiscaal niet gevolgd en veroorzaakt daarmee het verschil. | 1.954 | 476 | 483 |
| Langlopende schulden | (dis)agio leningen u/g vanuit fiscale startbalans | Conform verloopstaat opgesteld voor de fiscale startbalans obv VSOII. Jaarlijkse afschrijving volgens schema of vrijval bij vervroegde aflossing lening. | 5.857 | -1.103 | -1.140 |
| gestalde ATAD-rente | Uitgestelde VPB-vordering vanuit de tegenboeking van de (dis)agio leningen u/g vanuit fiscale startbalans, omdat er nog gestalde ATAD-rente aanwezig is. | -5.857 | 1.103 | 0 | |
| VOV-positie | Saldo van de onroerende zaken verkocht onder voorwaarden en de verplichting uit hoofde daarvan | Hiervoor wordt geen latentie opgenomen aangezien het beslismoment van de terugkoop niet bij Woonbron ligt en de afwikkeling en het moment daarvan te onzeker is. | 152.404 | 0 | 0 |
Het fiscale resultaat voor 2025 bedraagt € 86,7 mln. positief. Van hieruit ontstaat er een acute belastingverplichting van € 22,3 mln. Er is geen sprake meer van compensatieruimte die is ontstaan uit de negatieve fiscale resultaten, waardoor de belastinglatentie volledig bestaat uit de latentie vanuit deze tijdelijke waardeverschillen. De fiscale meerjarenbegroting geeft in de komende jaren een verwachting weer dat er geen sprake is van vorming van compensabele verliezen. De rentelasten van Woonbron kunnen fiscaal slechts beperkt worden meegenomen tot 24,5% (tot en met 2021 tot 30% en van 2022 tot en met 2024 tot 20%) van de fiscale EBITDA (fiscaal belastbare winst zonder rente, afschrijvingen en op/afwaarderingen). In 2025 betekent dit een renteaftrekbeperking van € 15,7 mln. In de voorgaande jaren is er voor totaal € 146,7 mln renteaftrekbeperking toegepast, waardoor er per ultimo 2025 sprake is van een cumulatieve renteaftrekbeperking van € 162,4 mln. De fiscale meerjarenbegroting geeft in de komende jaren een verwachting weer dat er geen sprake kan zijn van inzet van de cumulatieve renteaftrekbeperking. Er is derhalve geen latentie hiervoor opgenomen.
11. Overige vorderingen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 86.397 | 90.283 |
| Toevoeging | 0 | 14 |
| Aflossing/afschrijving | -4.056 | -3.899 |
| Totaal ultimo | 82.342 | 86.397 |
De post ‘Overige vorderingen’ bestaat uit amortisatie rente leningen, een vordering op WestCord, Stichting de Verre Bergen en de post leningen fietsplan.
- In 2017 en 2023 heeft Woonbron ervoor gekozen een aantal derivaten te laten doorzakken in vast rente leningen. Hierdoor zijn nieuwe leningen ontstaan met een hogere rente dan de marktrente. Deze nieuwe leningen zijn gewaardeerd op marktwaarde, waarbij het verschil tussen de marktwaarde en de nominale waarde als geamortiseerde kostprijs als overige vorderingen is opgenomen.
- Er zijn geen leningen aan bestuurders verstrekt.
‘Leningen personeel’ betreft deelname fietsplan.
| Bedragen x € 1.000 | Amortisatie rente leningen u/g | WestCord | Waarborgsom | Leningen Personeel | Stichting De Verre Bergen | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Balans per 1-1-2025 | 82.619 | 1.500 | 102 | 57 | 2.120 | 86.397 |
| Toevoeging | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Af: agio / aflossing / afschrijving | -3.239 | -500 | 0 | 2 | 0 | -3.737 |
| Overige mutaties | 0 | 0 | 0 | 0 | -320 | -320 |
| Balans per 31-12-2025 | 79.380 | 1.000 | 102 | 60 | 1.800 | 82.342 |
12 Vastgoed bestemd voor de verkoop
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Vastgoed bestemd voor de verkoop | 2.202 | 2.848 |
| Teruggekocht bezit ten behoeve van wederverkoop VOV | 20.114 | 17.154 |
| Totaal ultimo | 22.316 | 20.001 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 17.154 | 17.311 |
| Mutatie uit terugkopen | 78.155 | 75.844 |
| Mutatie uit wederverkopen VOV | -30.978 | -33.170 |
| Mutatie uit wederverkopen vrij | -32.714 | -27.892 |
| Mutatie uit terug in huur | -11.503 | -14.938 |
| Totaal ultimo | 20.114 | 17.154 |
13 Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor de Verkoop
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Verkrijgingsprijs | 484 | 1.477 |
| Cumulatieve herwaardering | 0 | 0 |
| Boekwaarde primo | 484 | 1.477 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 484 | 1.477 |
| Bij: investeringen | 64 | 7 |
| Af: overheveling naar onderhanden projecten | 0 | -1.000 |
| Totaal ultimo | 548 | 484 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Verkrijgingsprijs | 548 | 484 |
| Cumulatieve herwaardering | 0 | 0 |
| Boekwaarde ultimo | 548 | 484 |
14.Overige voorraden
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 476 | 1.005 |
| Mutaties | -444 | -528 |
| Totaal ultimo | 32 | 476 |
15. Huurdebiteuren
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Achterstanden | 5.873 | 5.534 |
| Afwaardering voor oninbare vorderingen | -2.077 | -1.912 |
| Totaal | 3.796 | 3.621 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | -1.912 | -1.770 |
| Af-/opboeking derving oninbaar (dotatie) | 1.319 | -1.213 |
| Mutatie vanuit wijziging samenstelling huurachterstanden | -1.484 | 1.071 |
| Totaal ultimo |
-2.077 | -1.912 |
| Voorstanden per ultimo | 4.400 | 4.012 |
Huurachterstanden
In 2025 is de huurachterstand met € 0,3 mln. toegenomen van € 5,5 mln. (ultimo 2024) naar € 5,9 mln. (ultimo 2025). De huurachterstand zit voornamelijk binnen 3 maanden (derhalve geen effect op de voorziening) en de vertrokken bewoners (100% voorzien).
16. Vorderingen op groepsmaatschappijen
| (Bedragen in EUR 1.000) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Woonbron Holding BV | 2.832 | 2.185 |
| Totaal | 2.832 | 2.185 |
17. Belastingen en premies sociale verzekeringen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Belastingen en premies sociale verzekeringen | 359 | 44 |
| Totaal | 359 | 44 |
18. Overige vorderingen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Overige debiteuren | 1.131 | 335 |
| Afwaardering voor oninbaar geachte vorderingen | -84 | -90 |
| Totaal | 1.046 | 246 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | -90 | -268 |
| Mutatie overige debiteuren | -6 | 178 |
| Totaal | -84 | -90 |
19. Overlopende activa
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Door te belasten aan derden | 44 | 50 |
| Vooruit ontvangen facturen | 2.865 | 2.527 |
| Overige | 92 | 121 |
| Totaal | 3.001 | 2.698 |
20. Liquide middelen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Kas | 0 | 1 |
| Bank | 30.565 | 17.613 |
| Geld onderweg | 19 | 26 |
| Totaal | 30.584 | 17.639 |
Garanties en zekerheden
Aan Achmea Dutch Healthcare is ten behoeve van de huurcontracten voor complex De Reigers een bankgarantie afgegeven. Deze bankgarantie bedraagt € 415.000 en geldt voor de duur van de huurovereenkomst. Met uitzondering van voorgenoemde bankgarantie zijn de liquide middelen vrij beschikbaar.
Passiva
Eigen vermogen
21. t/m 23. Eigen Vermogen
Overige reserves
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Overige reserves primo | -237.280 | 472.783 |
| Resultaatbestemming voorgaand boekjaar | 398.955 | -244.219 |
| Gerealiseerde herwaardering a.g.v. desinvesteringen (verkoop/sloop) | 70.440 | 76.304 |
| Niet gerealiseerd waardeveranderinge i.e. (naar herwaarderingsreserve) | -359.033 | -343.915 |
| Nier gerealiseerd waardeveranderingen VOV (naar herwaarderingsreserve) | -95.281 | -198.233 |
| Overige reserves ultimo | -222.199 | -237.280 |
Herwaarderingsreserve
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Herwaarderingsreserve primo | 4.742.272 | 4.276.427 |
| Niet gerealiseerd waardeveranderingen vastgoedbeleggingen | 359.033 | 343.915 |
| Niet gerealiseerd waardeveranderingen VOV | 95.281 | 198.233 |
| Gerealiseerde herwaardering a.g.v. (des)investeringen (verkoop/sloop/terugkoop) | -70.440 | -76.304 |
| Herwaarderingsreserve ultimo | 5.126.146 | 4.742.272 |
Eigen vermogen
Het eigen vermogen van Woonbron bedraagt eind 2025 € 5.381,3mln. Aangezien dit eigen vermogen mede gebaseerd is op basis van waardering van haar vastgoed tegen marktwaarde in verhuurde staat, geeft dit bedrag het potentiële eigen vermogen aan bij een optimale exploitatie van het vastgoed. Dit betekent dat er een exploitatie wordt gevoerd die gebaseerd is op de realisatie van maximale opbrengsten uit verkoop en verhuur.
In de exploitatie van haar woningen maakt Woonbron keuzes die passen bij haar brede taakopvatting, uiteraard binnen te stellen randvoorwaarden. Woonbron neemt aldus genoegen met een lager rendement wanneer dit maatschappelijk te verantwoorden is. In feite keren wij op deze manier ons rendement uit aan de samenleving. De beleidswaarde is een waarderingsgrondslag waarin de toekomstige keuzes worden vertaald naar euro’s van nu, uitgezonderd de effecten van het verkoopbeleid.
De beleidswaarde per 31 december 2025 bedraagt € 4.511,2 mln. In de marktwaardebepaling, ten behoeve van de waardering in de balans, wordt gebruik gemaakt van normbedragen voor onder andere beheerkosten en onderhoud. Bij de bepaling van de beleidswaarde maakt Woonbron gebruik van de verschillende kostenniveaus vanuit haar meerjarenbegroting, welke gebaseerd zijn op de gerealiseerde kosten. De voor de beleidswaardebepaling gebruikte kostenniveaus voor beheer en onderhoud liggen hoger dan de normen die gebruikelijk zijn voor de marktwaardebepaling.
Wanneer het eigen vermogen per 2025 zou zijn gebaseerd op deze beleidswaarde resulteert dit in een eigen vermogen van € 3.344,9 mln. Dit is € -2.036,4 mln. lager dan het in deze jaarrekening gepresenteerde eigen vermogen. Het verschil kan worden beschouwd als het economisch offer dat Woonbron doet op de exploitatie van haar vastgoed, gegeven de inzet die Woonbron doet voor de doelgroep die Woonbron bedient.
Het beleid van Woonbron wijkt op een aantal onderdelen af van een beleid gericht op opbrengstmaximalisatie:
- Verkoopbeleid: Woonbron wil met verkoop een doelgroep bedienen die anders niet in staat zou zijn een woning te kopen.
Met Koopgarant beschikt Woonbron over een product waarmee woningen met korting worden aangeboden. Hiermee wordt de doelgroep bediend, maar wordt afgezien van het realiseren van de marktwaarde van de woning.
De beleidswaarde wordt bepaald op basis van doorexploiteren en dus zonder de effecten van verkopen. - Huurbeleid: Het kiezen voor betaalbare woningen voor onze doelgroep resulteert enerzijds in lagere huren dan in de markt gerealiseerd zouden kunnen worden. Hierbij wordt echter niet gekozen voor een zo laag mogelijke huur.
Woonbron kiest voor vaststelling van huurbedragen die, afgemeten aan de specifieke omstandigheden,
passend zijn.
Voor het ongerealiseerde deel van de overige reserves met betrekking tot vastgoedbeleggingen in exploitatie is een herwaarderingsreserve gevormd. De herwaarderingsreserve wordt bepaald op basis van het positieve verschil in de boekwaarde van het vastgoed in exploitatie op basis van marktwaarde ten opzichte van de boekwaarde van het vastgoed in exploitatie op basis van verkrijgingsprijs/aanschafkosten. Hierbij wordt geen rekening gehouden met afschrijvingen en waardeverminderingen. De herwaarderingsreserve van de vastgoedbelegging in exploitatie bedraagt per ultimo 2025 €4.010,0 mln.
De mutatie reële waarde, zoals vermeld in het verloopoverzicht van vastgoedbeleggingen in exploitatie, is direct een mutatie in de herwaarderingsreserve.
Bij activering vanuit nieuwbouw en/of verbeteringen hebben afwaarderingen op basis van marktwaardewaardering plaatsgevonden ten opzichte van de verkrijgingsprijs, die daarmee dus direct een mutatie op de herwaarderingsreserve betekenen. Bij desinvesteringen van sociaal en commercieel vastgoed in exploitatie, verdwijnt met de activa tevens het deel herwaarderingsreserve (vanuit het verschil t.o.v. de verkrijgingsprijs) voor de betreffende eenheden.
Ook het aandeel 'niet gerealiseerde waardeverandering' in de balanswaardering (alleen de activa kant) van de verkochte eenheden onder voorwaarden, maakt onderdeel uit van de herwaarderingsreserve. De via het resultaat genomen niet gerealiseerde waardeverandering VOV in het verslagjaar vormt daarmee direct een mutatie in de herwaarderingsreserve. Ook hier geldt dat het deel herwaarderingsreserve voor de betreffende eenheden van terug en wederverkoop verdwijnt. De herwaarderingsreserve van de activa zijde van de verkochte eenheden onder voorwaarden bedraagt per ultimo 2025 € 937,8 mln. De herwaarderingsreserve vanuit de teruggekochte VOV eenheden bedraagt € 3,2 mln.
Gezamenlijk met de herwaarderingsreserve van de materiele vaste activa in exploitatie resteert er een gerealiseerd eigen vermogen van € 255,1 mln.
Het resultaat is vooruitlopend op een daartoe strekkend besluit qua resultaatbestemming als separate component opgenomen onder het eigen vermogen.
Statutaire resultaatbestemming
Voorstel tot bestemming van het resultaat over boekjaar 2025
Het bestuur stelt aan de Raad van Commissarissen voor het resultaat over het boekjaar ad € 478,47 miljoen als volgt te bestemmen: een bedrag ad € 478,47 miljoen toe te voegen aan de overige reserves.
Bestemming van het resultaat over boekjaar 2024
De jaarrekening 2024 is vastgesteld in de vergadering van de Raad van Commissarissen gehouden op 13 mei 2025. De vergadering heeft de bestemming van het resultaat vastgesteld conform het daartoe gedane voorstel.
Voorzieningen
24. Voorziening onrendabele investeringen en herstructurering
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 39.811 | 18.521 |
| Bij: dotatie/nieuwe besluiten | 9.837 | 38.419 |
| Af: projectresultaat afwikkeling | -7.485 | -1.238 |
| Af: overboeking naar activa in ontwikkeling | -13.782 | -15.891 |
| Totaal | 28.381 | 39.811 |
25. Voorziening pensioenen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 1.176 | 1.247 |
| Bij: dotatie | 24 | 25 |
| Af: onttrekkingen | -77 | -95 |
| Totaal | 1.123 | 1.176 |
26. Overige voorzieningen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 2.855 | 3.669 |
| Bij: dotatie | 671 | 975 |
| Af: onttrekkingen | -1.187 | -1.789 |
| Totaal | 2.340 | 2.855 |
Overige voorzieningen
| Bedragen x € 1.000 | Loopbaanontwikkeling | VvE | Totaal | |
|---|---|---|---|---|
| Saldo primo | 1.987 | 868 | 2.855 | |
| Bij: dotatie/nieuwe besluiten | 285 | 386 | 671 | |
| Af : onttrekkingen | -319 | -868 | -1.187 | |
| Totaal | 1.954 | 386 | 2.340 |
In de splitsingsakte van de VvE’s staat opgenomen dat het exploitatietekort aangezuiverd moeten worden door de eigenaren tenzij de algemene ledenvergadering anders beslist. Er is per VVE bekeken welk exploitatiebedrag (tekort) moet worden opgenomen als voorziening.
27. t/m 28. Langlopende schulden
Langlopende schulden worden onderverdeeld in schulden/leningen overheid en schulden/leningen kredietinstellingen. Per ultimo 2025 is er voor het gehele schuldrestant ad € 1.490,63 miljoen borging verstrekt door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Het naar kortlopende schulden overgehevelde bedrag betreft het totaal van periodieke aflossingen, eind-aflossingen en vervroegde aflossingen in 2025. De reële waarde van de
leningenportefeuille bedraagt per ultimo 2025 € 1.494 miljoen (2024 € 1.769,17 miljoen). De reële waarde is hierbij berekend op basis van 6-maands Euribor.
27. Schulden/leningen overheid
| Bedragen x € 1.000 | 31-12-2025 | 31-12-2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 1.879 | 2.297 |
| Bij: nieuwe storting | 0 | 0 |
| Af: reguliere aflossing | -433 | -418 |
| Af: vervroegde aflossing | 0 | 0 |
| Totaal leningen ultimo | 1.446 | 1.879 |
| Overheveling aflossing komend jaar naar kortlopende schulden | -464 | -432 |
| 982 | 1.446 |
Verantwoording langlopende leningen overheid
Opgesplitst naar restant-looptijd van de leningen is de nominale leningenportefeuille als volgt opgebouwd:
| Bedragen x € 1.000 | 31-12-2025 | 31-12-2024 |
|---|---|---|
| Leningen o/g <= 5 jaar | 534 | 794 |
| Leningen o/g > 5 jaar | 912 | 1.085 |
| Totaal | 1.446 | 1.879 |
| 31-12-2025 | 31-12-2024 | |
|---|---|---|
| De gemiddeld gewogen rentecoupon van de leningenportefeuille inclusief rentederivaten per jaarultimo | 5,19% | 5,66% |
28. Schulden/leningen kredietinstellingen
| Bedragen x € 1.000 | 31-12-2025 | 31-12-2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo leningen | 1.493.427 | 1.487.123 |
| Bij: nieuwe leningen | 26.160 | 68.600 |
| Af: reguliere aflossing | -16.400 | -57.296 |
| Af: vervroegde aflossing | -14.000 | -5.000 |
| Saldo ultimo leningen | 1.489.187 | 1.493.427 |
| Saldo primo agio leningen | 137.821 | 142.347 |
| Af: afschrijving agio | -4.528 | -4.526 |
| Saldo ultimo agio leningen | 133.293 | 137.821 |
| Totaal leningen ultimo | 1.622.480 | 1.631.248 |
| overheveling aflossing komend jaar naar kortlopende schulden | -6.512 | -16.400 |
| 1.615.968 | 1.614.847 |
Het volume aan nieuwe leningen betreft:
- Nieuwe leningen t.b.v. investeringen + € 16,16 miljoen.
- Herfinanciering vervroegde aflossing ROLL-over lening + € 10 miljoen
Het volume aan reguliere aflossingen betreft o.a.:
- Eindaflossingen -/- € 16,40 miljoen.
Het volume aan vervroegde aflossingen betreft:
- Aflossing op bestaande lening met een variabele hoofdsom -/- € 4 miljoen.
-Aflossing ROLL-over lening -/- 10 miljoen.
Verantwoording langlopende leningen kredietinstellingen
| Bedragen x € 1.000 | 31-12-2025 | 31-12-2024 |
|---|---|---|
| Leningen o/g <= 5 jaar | 56.614 | 26.196 |
| Leningen o/g > 5 jaar | 1.432.573 | 1.467.231 |
| Totaal | 1.489.187 | 1.493.427 |
| 31-12-2025 | 31-12-2024 | |
|---|---|---|
| De gemiddeld gewogen rentecoupon van de leningenportefeuille inclusief rentederivaten per jaarultimo | 3,18% | 3,23% |
| De gemiddeld gewogen rentecoupon van de leningenportefeuille exclusief rentederivaten per jaarultimo | 3,13% | 3,20% |
29. Verplichtingen uit hoofde van Onroerende zaken verkocht onder voorwaarden
Saldo primo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Verkrijgingsprijs | 765.124 | 776.975 |
| Cumulatieve herwaardering | 619.796 | 502.120 |
| Boekwaarde primo | 1.384.920 | 1.279.095 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 1.384.920 | 1.269.095 |
| Mutatie uit terugkopen | -66.081 | -62.279 |
| Mutatie uit verkopen | 29.835 | 34.265 |
| Mutatie uit waardeveranderingen | 72.031 | 143.839 |
| Totaal ultimo | 1.420.705 | 1.384.920 |
Saldo ultimo
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Verkrijgingsprijs | 760.219 | 765.124 |
| Cumulatieve herwaardering | 660.486 | 619.796 |
| Boekwaarde ultimo | 1.420.705 | 1.384.920 |
30.Overige schulden
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 1.327 | 1.325 |
| Mutaties | 81 | 1 |
| Totaal ultimo | 1.408 | 1.327 |
Kortlopende schulden
31. tm 32. Schulden aan kredietinstellingen/overheid
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Overheveling aflossingen komend jaar van langlopende leningen overheid | 464 | 432 |
| Overheveling aflossingen komend jaar van langlopende leningen kredietinstellingen | 6.512 | 16.400 |
| Totaal schulden aan kredietinstellingen / overheid | 6.976 | 16.832 |
35. Belastingen en premies sociale verzekeringen
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Omzetbelasting | 3.007 | 1.463 |
| Loonbelasting | 1.645 | 1.263 |
| Vennootschapsbelasting | 3.173 | 5.678 |
| Diverse belasting | -4 | -4 |
| Totaal belastingen en premies sociale verzekeringen | 7.822 | 8.401 |
De acute belastingverplichting ad € 22,3 mln vennootschapsbelasting 2025 is toegelicht bij het onderdeel “Belastingen resultaat uit gewone bedrijfsvoering”.
In 2025 is omtrent het bezwaar op aanslag 2019, met betrekking tot fiscale afwaardering van gebouw De Kreek, een compromis tot uiting gekomen die in januari 2026 door beide partijen akkoord is bevonden. In de vorige jaren was voorzichtigheidshalve geen rekening gehouden met fiscale afwaardering van gebouw De Kreek en ook de mogelijkheid van vorming van HerInvesteringsReserve vanuit oplevering van gebouw De Kreek gedeeltelijk beperkt. De effecten van het akkoord en de ruimte voor vorming van een HerInvesteringsReserve vanuit oplevering van gebouw De Kreek zijn de belangrijkste oorzaken van de aanpassing acute belastingen voorgaande jaren.
Het saldo voorschotten per ultimo 2025 bedraagt daarmee € 19,1 mln (€ 11,6 mln voorschot 2025 en € 7,5 mln aanpassing belasting voorgaande jaren), waardoor per saldo een restant schuld ontstaat van € 3,2 mln.
36. Onderhanden projecten in opdracht van derden
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 1.342 | 0 |
| Bij: investeringen | -100 | -65 |
| Af: overheveling van project ontwikkeling t.b.v. verkoop | 0 | -1.000 |
| Af: verkooptermijnen | 0 | 2.407 |
| Af: afwaardering onrendabel deel | 0 | 0 |
| Totaal ultimo | 1.242 | 1.342 |
37.Overige schulden
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Saldo primo | 0 | 769 |
| Af : overige schulden | 0 | -769 |
| Bij: overige schulden | 0 | 0 |
| Totaal ultimo | 0 | 0 |
38. Overlopende passiva
| Bedragen x € 1.000 | 31-dec-25 | 31-dec-24 |
|---|---|---|
| Overige verplichtingen / overig | 22.440 | 20.855 |
| Voorstanden huurdebiteuren | 4.394 | 4.172 |
| Te betalen interest | 18.905 | 18.185 |
| Totaal overlopende passiva | 45.739 | 43.212 |
| Specificatie overige verplichtingen / overig | 31-dec-25 | 31-dec-24 |
|---|---|---|
| Nog te betalen inzake onderhoud | 8.630 | 7.505 |
| Nog te betalen inzake projecten | 4.050 | 4.963 |
| Overlopende vakantie-uren | 2.364 | 2.262 |
| Nog te betalen inzake servicekosten | 5.980 | 5.183 |
| Nog te ontvangen facturen uitzendkrachten | 297 | 330 |
| Nog te betalen diverse | 985 | 479 |
| Nog te betalen erfpacht | 125 | 125 |
| Overige | 11 | 8 |
| Totaal overige verplichtingen /overig | 22.440 | 20.855 |
Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen
Operational leasing
De verplichting vanuit de leasecontracten (met name ten behoeve van de dienstauto’s) bedraagt € 3,2 mln. Van deze verplichting valt € 3,2 mln. binnen de periode van vijf jaar. Hiervan is een verplichting van circa € 1,0 mln. korter dan een jaar. De verplichting na vijf jaar is € 0 mln.
huurcontracten van kantoorpanden
De verplichting vanuit de huurontracten (met name ten behoeve van het huren van kantoorpanden) bedraagt € 1,2 mln. Van deze verplichting valt € 1,2 mln. binnen de periode van vijf jaar. Hiervan is een verplichting van circa € 0,5 mln. korter dan een jaar.
Dekkingsgraad pensioenfonds
Woonbron heeft de verplichting om tekorten ten opzichte van de minimale dekkingsgraad, maar niet anders dan via toekomstige premies van het pensioenfonds, aan te vullen.
Vanaf 1 januari 2026 gaat SPW over op het vernieuwde pensioen. Bij de overgang verdeelt SPW het pensioenvermogen over iedereen die bij SPW pensioen opbouwt, heeft opgebouwd of ontvangt. Hoeveel pensioenvermogen we kunnen verdelen, hangt vooral af van onze dekkingsgraad.
Hoe hoger de dekkingsgraad op het moment van de overgang, hoe meer geld SPW verdelen. Mogelijk kan SPW alle pensioenen dan eenmalig verhogen. Op dit moment staat SPW er goed voor met een dekkingsgraad van 144,2% op 31-12-2025 (dekkingsgraad 143,1% en een extra bedrag om te verdelen met een dekkingsgraad van 1,1%).
WSW-obligo
Per 1 juli 2021 bestaat de WSW obligoverplichting uit een jaarlijks gemaximeerde obligoheffing en een obligolening. De obligoheffing is nodig om de eerste verliezen op te vangen en wordt alleen geïnd als het noodzakelijk is om het risicovermogen aan te vullen, in 2025 is € 0,41 miljoen hiervoor afgedragen. De obligolening (lening met een variabele hoofdsom ) is nodig om er zeker van te kunnen zijn dat er direct geld beschikbaar is bij grote aanspraken, indien de obligoheffing niet voldoende is. Woonbron heeft op grond van artikel 10, lid 2 onder c van het Reglement van Deelneming van WSW deze obligolening aangetrokken en de hoofdsom hiervan bedraagt per 31 december 2021 € 33,87 miljoen. De hoofdsom van de obligolening dient jaarlijks te worden aangepast op basis van het actuele geborgde schuldvolume ultimo van het voorgaande kalenderjaar. Dit betekent dat de hoofdsom ultimo 2025 overeenkomt met 2,6% van het geborgd schuldrestant ultimo 2024. Woonbron heeft de hoofdsom van de obligolening aangepast naar € 39,59 miljoen per 30 november 2025, via een amenderingsovereenkomst met WSW en BNG. Op deze lening kan alleen een trekking worden gedaan als WSW daartoe een verzoek heeft gedaan en Woonbron niet binnen 10 werkdagen na dit verzoek kan storten. Een dergelijk verzoek van WSW is pas aan de orde als het jaarlijks obligo niet toereikend is. Op basis van de prognoses van WSW van de huidige verplichtingen is dit niet aan de orde. In het geval van een eventuele storting, zal deze rechtstreeks ten gunste van WSW worden uitbetaald en nadien moeten worden afgelost door Woonbron.
Onderhanden projecten
In de categorie activa in ontwikkeling en onderhanden projecten is de realisatie van de projectkosten opgenomen. De restant verplichting tot aan de totale bouwkosten bedraagt € 100,9 mln. (in 2024 betrof de restant verplichting € 97,67 mln.).
In de categorie planmatig onderhoud is de realisatie van deze planmatig onderhoudskosten opgenomen. De restant verplichting tot aan de totale kosten bedraagt € 4,0 mln. (in 2024 betrof de restant verplichting € 2,7 mln.).
Deelnemingen
Voor aansprakelijkheden vanuit deelnemingen wordt verwezen naar het hoofdstuk ‘Deelnemingen en overige verbindingen’.
Fiscale eenheid
Woonbron vormt een fiscale eenheid met dochterbedrijf Woonbron Holding BV en de daarin geconsolideerde dochterbedrijven Woonbron ZPP Beheer BV, Woonbron ZPP Exploitatie BV. Voor Woonbron geldt daarmee inzake de Vennootschapsbelasting hoofdelijke aansprakelijkheid.
Onderhoudsfondsen VvE’s
Woonbron had in 2025 12.228 eenheden in VvE’s in bezit (2024 12.435). In 2024 zijn voor deze VvE’s de jaarrekening 2024 en daarbij behorende onderhoudsfondsen voor 2025 en verder vastgesteld.
Totaal is hierin voor circa € 91,6 miljoen (2024: € 83,0 mln.) aan onderhoudsfondsen opgenomen, waarvan het aandeel van het bezit van Woonbron circa € 65,0 miljoen bedraagt (2024: € 57,7 mln).
Financiële instrumenten
Woonbron loopt renterisico over de rentedragende vorderingen (met name onder financiële vaste activa) en rentedragende langlopende en kortlopende schulden. Bij vorderingen en schulden met variabele renteafspraken loopt Woonbron risico ten aanzien van toekomstige kasstromen. Bij vastrentende vorderingen en schulden loopt Woonbron risico ten aanzien van de marktwaarde.
Woonbron heeft in de periode tussen 1999 en 2012 een derivatenportefeuille opgebouwd ter afdekking van het renterisico van variabel rentende langlopende leningen. Ten aanzien van het afdekken van renterisico's op vorderingen zijn en worden geen derivaten afgesloten.
De huidige derivaatportefeuille bestaat uitsluitend uit een renteswap (payer swap) die direct is gekoppeld aan twee rollover-leningen. Deze rollover-leningen hebben een rentecoupon gebaseerd op de drie of zes maands Euribor, vermeerderd met een opslag. De renteswap bestaat ultimo 2024 uit twee componenten:
- een vaste rentebetaling;
- een variabele renteontvangst (in het algemeen Euribor zonder opslag).
Door de rollover-lening en de swap te koppelen, wordt een rentetypisch vaste lening gecreëerd.
Immers: de Euribor renteontvangst van de swap compenseert de Euribor rentebetaling van de rollover-lening.
Aangezien de rollover-leningen nominaal worden gewaardeerd (dat wil zeggen: niet tegen marktwaarde), is marktwaardewaardering voor het derivaat niet gewenst. Voor het derivaat wordt daarom kostprijshedge-accounting toegepast. Dit betekent dat het derivaat tegen de nominale waarde (€ 0) wordt meegenomen. Woonbron kiest voor kostprijshegde-accounting aangezien de doelstelling van het derivaat is om het renterisico op variabele rentefinanciering af te dekken. Kostprijshedge-accounting wordt toegepast op basis van individuele leningen, wat betekent dat er sprake is van aansluiting tussen de modaliteiten van het derivaat en de leningen. Deze modaliteiten zijn vastgelegd in het originele lening- en derivaatcontract. De koppeling tussen derivaat en lening is nagenoeg volledig, waarmee de effectiviteit als voldoende wordt bestempeld.
In 2025 heeft geen mutatie plaatsgevonden in de derivaatportefeuille. De nominale waarde van de derivaatportefeuille bedraagt per ultimo 2025 € 30 miljoen (was € 30 miljoen per ultimo 2024).
Het totale volume aan variabelrentende leningen bedraagt per ultimo 2025 € 152,25 miljoen (was € 162,25 miljoen per ultimo 2024). Hiervan is per ultimo 2025 € 137,25 miljoen opgenomen (was € 151,25 miljoen per ultimo 2024). Er is een verschil tussen het hoofdvolume aan variabelrentende leningen (€ 152,25 miljoen) en het volume aan derivaten (€ 30 miljoen). Van een volume van € 122,25 miljoen is het renterisico niet afgedekt met derivaten per ultimo 2025 (was € 132,25 miljoen per ultimo 2024). Hiervan is per ultimo 2025 € 107,25 miljoen opgenomen (was € 121,25 miljoen per ultimo 2024).
Woonbron heeft geen derivaat waarvoor een Credit Support Annex (CSA) is overeengekomen. In een CSA komen partijen overeen om (een deel van) de negatieve marktwaarde als onderpand te storten, indien en zodra deze boven een bepaald drempelbedrag komt. Dit betreft een wederzijdse verplichting. Dit betekent ook dat Woonbron per ultimo 2025, net als per ultimo 2024, geen saldo heeft aan verstrekt onderpand.
Woonbron heeft geen derivaat met een mandatory break (wederzijds opzegbaar). Dit houdt in dat een derivaat op een vooraf bepaalde datum kan worden afgewikkeld tegen de dan geldende marktwaarde.
De marktwaarde van de derivaatportefeuille per ultimo 2025 bedraagt € 5,29 miljoen negatief, dit was € 8,61 miljoen negatief per ultimo 2024.
Woonbron tracht het kredietrisico (het risico dat financiële instellingen niet aan hun contractuele verplichtingen jegens Woonbron kunnen voldoen) te beperken door het spreiden van transacties over verschillende financiële instellingen. Ook dienen financiële instellingen te voldoen aan de kredietwaardigheidseisen (rating) uit het reglement financieel beleid en beheer en het treasury statuut: een tegenpartij dient door tenminste twee van de drie rating agencies een kredietclassificatie te hebben ontvangen van minimaal single A. Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen daarover in het BTiV is opgenomen. De financiële tegenpartijen voldoen hieraan.
Woonbron heeft geen swaps afgesloten ter dekking van toekomstige investeringen.
Woonbron voert alleen transacties in euro’s uit en loopt geen valutarisico.
Tot slot heeft Woonbron in haar leningenportefeuille tweeëndertig zogenaamde basisrenteleningen met een totaal volume van € 622,23 miljoen (was € 622,23 miljoen per ultimo 2024). Alle basisrenteleningen kenmerken zich door een langlopende vaste rente vermeerderd met een voor een kortere periode overeengekomen kredietopslag. In de basisrenteleningen is een embedded payer swap opgenomen. Aangezien deze embedded swap nauw gelieerd is aan de onderliggende lening wordt de embedded swap niet separaat op de balans gewaardeerd. De in de basisrenteleningen van Woonbron opgenomen embedded swaps hebben een totale negatieve marktwaarde per ultimo 2025 van € 12,52 miljoen (was € 156,38 miljoen per ultimo 2024).
Treasury organisatie
Het reglement financieel beleid en beheer en het treasury statuut van Woonbron stellen de kaders vast voor risicobeheersing. De financiële instrumenten binnen de portefeuille voldoen aan deze richtlijnen. Beide documenten worden jaarlijks geëvalueerd op basis van actuele ontwikkelingen en waar nodig aangepast. In 2022 is het treasury statuut geactualiseerd; het reglement financieel beleid en beheer is in 2025 herzien.
Financierings- en risicobeheerbesluiten worden genomen door het bestuur, nadat de treasurycommissie – waarin zowel medewerkers van Woonbron als een externe adviseur zitting hebben – hierover advies heeft uitgebracht. De treasurycommissie voorziet het bestuur van advies met betrekking tot treasuryvraagstukken. Alle overwegingen die aan de besluitvorming voorafgaan, worden zorgvuldig genotuleerd. Deze notulen van de vergaderingen van de treasurycommissie worden ter beschikking gesteld aan de leden van de auditcommissie van de Raad van Commissarissen.
Besluiten dienen te voldoen aan de kaders van het reglement financieel beleid en beheer, het treasury statuut en het treasury jaarplan. Indien er besluiten genomen dienen te worden die buiten deze kaders vallen, zal een uitzonderingsvoorstel eerst door de Raad van Commissarissen moeten worden geautoriseerd.
Bij besluitvorming, uitvoering en toetsing van transacties wordt een strikte functiescheiding gehanteerd. Voor de uitvoering van treasurytransacties wordt middels een transactierapport verantwoording afgelegd; dit rapport wordt direct aan de bestuurder verstrekt. De controller ontvangt een volledig transactiedossier, bestaande uit het transactievoorstel, bevestigingen, overeenkomsten en een uitdraai van de administratieve vastlegging. Vervolgens controleert de controller of de transactie voldoet aan de randvoorwaarden zoals vastgesteld in het goedgekeurde voorstel, toetst naleving van de bevoegdhedenregeling en verifieert dat de administratie aansluit bij de gecontracteerde transactie. Deze controletaken worden uitgevoerd volgens een controleprotocol, dat periodiek wordt geëvalueerd en geactualiseerd. Het controlerapport wordt geagendeerd en besproken in de treasurycommissie.
Elk tertiaal stelt de directeur Financiën & Digitalisering een gedetailleerde rapportage op waarin verantwoording aan de bestuurder wordt afgelegd. Deze rapportage wordt vervolgens besproken binnen zowel de treasury commissie als de auditcommissie. Tevens beoordeelt de treasury commissie de risico's aan de hand van een vastgestelde treasury risicomap.
Toelichting op de winst- en verliesrekening
Opbouw functionele resultatenrekening:
De opbouw van de functionele resultatenrekening is een afgeleide van het grootboekstelsel op basis van de categoriale indeling. Een groot deel van de grootboekrekeningen wordt direct gelabeld naar de onderdelen van de functionele resultatenrekening en voor een aantal grootboekrekeningen geldt dat deze worden verdeeld via een kostenverdeelstaat.
Voor de grootboekrekeningen met het label kostenverdeelstaat worden verdeel-percentages ten behoeve van de verschillende onderdelen van de functionele resultatenrekening bepaald op de volgende wijze:
- Per functie worden de verdeelpercentages bepaald;
- Vanuit salarispakket worden de personeelskosten per persoon via functie vertaald naar de verschillende categorieën;
- Vanuit deze verdeelde kosten worden percentages bepaald op totaal Woonbron niveau;
- Verdeelde kosten overhead worden als opslag op de kostenverdeelstaat verdeling meegerekend naar de verschillende onderdelen van de functionele resultatenrekening;
- Verdeelde kosten kostenverdeelstaat optellen bij de bedragen uit de direct toegewezen grootboekrekeningen.
Netto resultaat exploitatie vastgoedportefeuille
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 39. Totaal huuropbrengsten vastgoed in exploitatie | 303.771 | 290.016 |
| 40. Totaal opbrengsten service contracen | 24.610 | 22.413 |
| 41. Totaal lasten service contracten | -24.597 | -22.090 |
| 42. Totaal overheidsbijdragen | 0 | 0 |
| 43. Totale lasten verhuur en beheeractiviteiten | -20.748 | -20.814 |
| 44. Toaal lasten onderhoudsactiviteiten | -113.848 | -119.487 |
| 45. Totaal overige directe operationele lasten exploitatie bezit | -26.030 | -27.254 |
| Totaal netto exploitatie vastgoedportefeuille | 143.158 | 122.784 |
Noot voor 2024 voor punt 43 en 45
In de jaarrekening 2024 was VVE bijdrage beheer (€ 2.632K), ten onrechte, opgenomen onder de categorie “overige directe operationele lasten exploitatie bezit”. De betreffende lasten behoren thuis onder “lasten verhuur en beheeractiviteiten”. Het benoemde bedrag is daarom in de kolom vergelijkende cijfers vorig jaar als zodanig verschoven van “overige directe operationele lasten exploitatie bezit” naar “lasten verhuur en beheeractiviteiten”.
39. Huuropbrengsten in explotatie
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Huuropbrengsten | 311.440 | 298.055 |
| Subtotaal Huuropbrengsten | 311.440 | 298.055 |
| Huuropbrengsten: derving oninbaar | -1.319 | -1.213 |
| Huuropbrengsten: derving leegstand | -6.349 | -6.827 |
| Totaal huuropbrengsten vstgoed in exploitatie | 303.771 | 290.016 |
Huuropbrengsten per gemeente
| Gemeente | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Capelle ad Ijssel | 1.936 | 1.842 |
| Westvoorne | 0 | 0 |
| Rotterdam | 172.913 | 165.952 |
| Delft | 62.064 | 60.724 |
| Dordrecht | 39.206 | 35.956 |
| Nissewaard | 26.735 | 25.507 |
| Zuidplas | 8.585 | 8.074 |
| Totaal | 311.440 | 298.055 |
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Jaarhuur (zonder aanpassingen) | 305.045 | 288.947 |
| Effect huurverhoging | 6.682 | 7.526 |
| Effect huurverlaging eenmalig | 0 | 0 |
| Effect huurharmonisatie | -902 | 563 |
| Effect verkopen op huur | -2.164 | -522 |
| Effect onttrekking bezig uit exploitatie (sloop, omzetten naar eigen gebruik) | -468 | -29 |
| Effect investeringen (aankoop,nieuwbouw, renovatie) | 3.239 | 1.551 |
| Eenmalige huurkortingen/overige mutaties | 8 | 20 |
| Totaal | 311.440 | 298.055 |
Huuropbouw
De huurinkomsten in 2025 zijn € 13,4 mln. hoger dan in 2024.
De belangrijkste verschillen zijn:
Jaarhuur:
Hogere jaarhuur, met name als gevolg van de huurverlaging in 2023 waardoor de jaarhuur van 2024 lager was dan in 2023. In 2024 heeft wel een huurverhoging van 5,3% plaatsgevonden. Dit heeft een groot effect op de jaarhuur van 2025.
Effect huurverhoging:
Huurverhoging in 2025 was 4,3 % wat een klein effect heeft ten opzichte van de huurverhoging in 2024 van 5,3%.
Effect huurharmonisatie:
Effect huurharmonisatie (-€ 0,902 mln.). Het passend toewijzen en het aftoppen van huurprijzen zorgen op een negatief effect van huurharmonisatie. Het effect is daarmee mede afhankelijk van de inkomens van de nieuwe huurders en daarnaast welke woningen vrij komen.
Effect verkopen op huur:
Het negatieve effect verkopen op huur in 2025 is € 1,6 mln. hoger dan in 2024, dit wordt veroorzaakt door een aantal grote dispositieverkopen o.a. Loods Holland (januari 2025) en Chopinlaan (mei 2025).
Effect onttrekking bezit uit exploitatie:
In 2025 zijn er een aantal sloopprojecten geweest in Delft en bij Tijdelijk Wonen.
Effect investeringen:
De investeringen die huurverhogingen hebben voortgebracht betreffen opgeleverde nieuwbouwprojecten 2025 in Dordrecht en Zuidplas en renovatieprojecten, in de verhuur genomen woningen vanuit terugkoop in het kader van "verkoop onder voorwaarden" en aankoop van woningen.
Effect eenmalige huurkortingen:
De huurkorting zijn om verschillende redenen, met als belangrijkste de huurkortingen vanwege de sloop/renovatie/leegstandsbeheer en huurcommissiezaken/gebreken.
Huurderving door leegstand:
De totale huurderving bedraagt in 2025 € 6,35 mln. In 2024 was dit € 6,83 mln. De frictieleegstand verhuur daalt van € 4,22 mln. in 2024 naar € 3,69 mln. in 2025.
De afname wordt met name veroorzaakt door:
- In 2025 zijn we verder gegaan met het verbeteren van het verhuurmutatieproces, een samenwerking tussen de afdeling verhuur en onderhoud. Begin 2025 stonden we op 436 lege woningen en eind 2025 was dit gedaald naar 341.
- De verkoopleegstand stijgt van € 0,74 mln in 2024 naar € 0,79 mln. in 2025.
Dit wordt veroorzaakt doordat het aantal voor het eerst verkochte woningen gestegen is en 2 grote dispositieverkopen zoals eerder genoemd. - De projectleegstand neemt toe in 2025 met € 0,1 mln naar € 1,87 mln. Dit betreft vooral leegstand door sloopprojecten in het NPRZ gebied Delfshaven (Coolhaveneiland) en Rotterdam Zuidwest Spijkenisse.
Derving oninbaar
Derving wegens oninbaar is toegenomen met € 0,11 mln ten opzichte van 2024. De huurachterstanden lopen op en de betaalbaarheid staat onder druk.
40. Opbrengsten service en stookkosten
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Opbrengsten servicecontracten | 27.937 | 23.885 |
| Subtotaal opbrengsten service contracten | 27.937 | 23.885 |
| Af: opbrengstenderving wegens leegstand | -509 | -671 |
| Af: te verrekenen met huurders | -2.819 | -801 |
| Totaal opbrengsten service contracten | 24.610 | 22.413 |
41. Lasten service contracten
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Lasten service contracten | -24.597 | -22.090 |
| Totaal service en stookkosten | -24.597 | -22.090 |
43. Lasten verhuur- en beheeractiviteiten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Toegerekende personeelskosten | 12.161 | 11.989 |
| Toegerekende overige organisatiekosten | 4.923 | 5.097 |
| Toegerekende afschrijvingen | 909 | 1.096 |
| VVE bijdrage beheer | 2.756 | 2.632 |
| Totale lasten verhuur en beheeractiviteiten | 20.748 | 20.813 |
44. lasten onderhoudsactiviteiten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Onderhoudslasten | 88.581 | 93.505 |
| Toegerekende personeelskosten | 17.307 | 17.675 |
| Toegerekende overige organisatiekosten | 6.871 | 6.960 |
| Toegerekende afschrijvingen | 1.090 | 1.348 |
| Totaal lasten onderhoudsactiviteiten | 113.848 | 119.487 |
| *€ 1.000 (incl. personeels- en organisatiekosten) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Planmatig Onderhoud | 61.364 | 59.960 |
| Mutatie onderhoud | 18.564 | 23.005 |
| Reparatieverzoeken | 33.920 | 36.523 |
| totaal onderhoudslasten (incl. personeels- en organisatiekosten) | 113.848 | 119.487 |
Omzet eigen aannemerij
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Omzet eigen aannemerij | -4.222 | -4.210 |
45. Overige directe operationele lasten exploitatie bezit
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Totaal overige directe operationele lasten exploitatie bezit | 26.030 | 24.622 |
| 2025 | 2023 | |
|---|---|---|
| Heffingen (Verhuurdersheffing) | 161 | 1 |
| Belastingen o.a. OZB, waterschapsbelasting | 20.635 | 19.792 |
| Verzekeringen | 3.434 | 3.443 |
| Overige posten | 1.800 | 1.387 |
| Totaal overige directe operationele lasten exploitatie bezit | 26.030 | 24.622 |
46. tm 48. Netto resultaat verkocht vastgoed in ontwikkeling
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 46. Omzet verkocht vastgoed in ontwikkeling | 1.930 | 2.407 |
| 47. Uitgaven verkocht vastgoed in ontwikkeling | -1.871 | -2.379 |
| 48. Toegerekende organisatiekosten verkoop in ontwikkeling | -58 | -28 |
| Totaal netto resultaat verkocht vastgoed in ontwikkeling | 0 | 0 |
49. t/m 51. Netto gerealiseerd resultaat verkoop vastgoedportefeuille
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 49. Verkoopopbrengst vastgoedportefeuille | 114.204 | 68.250 |
| 50. Toegerekende organisatiekosten verkoop | -809 | -814 |
| 51. Boekwaarde verkochte vastgoedportefeuille | -95.309 | -58.507 |
| Totaal netto gerealiseerd resultaat verkoop vastgoedportefeuille | 18.086 | 8.929 |
| Aantallen vrije verkopen | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Vrije verkopen | 223 | 134 |
| Wederverkopen vrije verkopen | 141 | 126 |
| Totaal aantal vrije verkopen | 364 | 260 |
52. tm 58. Waardeverandering vastgoedportefeuille
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 52. Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille | -4.317 | -39.911 |
| 53. Niet gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedportefeuille | 372.347 | 327.510 |
| 54. Niet gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedportefeuille verkocht onder voorwaarden | 23.250 | 54.393 |
| Totaal waardeverandering vastgoedportefeuille | 391.280 | 341.992 |
52. Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 52. Overige waardeveranderingen immateriële vaste activa en vastgoedportefeuille | -1.101 | -37.694 |
| 52. Overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille vanuit verkocht onder voorwaarden | -3.216 | -2.217 |
| Totaal overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille | -4.317 | -39.911 |
55. en 56. Nettoresultaat overige activiteiten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 55. Opbrengsten overige activiteiten | 3.155 | 3.141 |
| 56. Kosten overige activiteiten | -4.196 | -4.457 |
| Totaal nettoresultaat overige activiteiten | -1.041 | -1.318 |
55. Opbrengsten overige activiteiten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Overige bedrijfsopbrengsten | 3.155 | 3.141 |
| Totaal opbrengsten overige activiteiten | 3.155 | 3.141 |
56. Kosten overige activiteiten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Toegerekende personeelskosten | -3.009 | -3.138 |
| Toegerekende overige organisatiekosten | -997 | -1.080 |
| Toegerekende afschrijvingen | -190 | -239 |
| Totale overige kosten activiteiten | -4.196 | -4.457 |
Overige organisatiekosten
57. Overige organisatiekosten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Overige organisatiekosten | 10.168 | 9.969 |
| Totaal overige organisatiekosten | 10.168 | 9.969 |
Leefbaarheid
58. Leefbaarheid
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Leefbaarheid | 1.649 | 1.438 |
| Toegerekende personeelskosten | 4.369 | 3.501 |
| Toegerekende overige organisatiekosten | 1.492 | 1.253 |
| Toegerekende afschrijvingen | 275 | 267 |
| Totaal leefbaarheid | 7.786 | 6.460 |
59. t/m 62. Saldo financiële baten en lasten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| 59. Totaal waardeveranderingen van financiële vaste activa en effecten | 0 | 0 |
| 60. Totaal opbrengsten van vorderingen die tot de vaste activa behoren en van effecten | 769 | 812 |
| 61. Totaal andere rentebaten en soortgelijke opbrengsten | 949 | 1.154 |
| 62. Totaal rentelasten en soortgelijke kosten | -47.006 | -48.403 |
| Totaal saldo financiële baten en lasten | -45.287 | -46.437 |
60. Opbrengsten van vorderingen die tot de vaste activa behoren en van effecten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Rente opbrengsten leningen | 0 | 0 |
| Overige opbrengsten | 769 | 812 |
| Totaal Opbrengsten van vorderingen die tot de vaste activa behoren en van effecten | 769 | 812 |
61. Andere rentebaten en soortgelijke opbrengsten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Rentebaten rekening-courant en deposito's | 0 | 0 |
| Overige rentebaten | 949 | 1.154 |
| Totaal andere rentebaten en soortgelijke opbrengsten | 949 | 1.154 |
62. Rentelasten en soortgelijke kosten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Rentelasten leningen overheid en kredietinstellingen | -48.623 | -50.658 |
| Resultaten derivaten | -638 | 26 |
| Rente disagio | 2.642 | 2.641 |
| Overige rentelasten | -387 | -413 |
| Totaal rentelasten en soortgelijke kosten | -47.006 | -48.403 |
Belastingen
63. Belastingen resultaat uit gewone bedrijfsvoering
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Vennootschapsbelasting acute belastingen | -22.296 | -16.256 |
| Vennootschapsbelasting aanpassing acute belastingen voorgaande jaren | 7.452 | 1.069 |
| Vennootschapsbelasting mutatie latente belastingen | 5.168 | 2.780 |
| Belastingen resultaat uit gewone bedrijfsvoering | -9.676 | -12.407 |
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Resultaat voor belastingen | 488.148 | 411.362 |
| Tijdelijke verschillen | ||
| Boekwaarde verkopen | 32.191 | 18.811 |
| Vorming Herinvesteringsreserve | -45.977 | -21.219 |
| Afschrijvingen | -2.229 | -3.800 |
| Onderhoudslast versus activering | -7.432 | -27.461 |
| Waardeveranderingen | -395.406 | -345.397 |
| Overige tijdelijke verschillen | 1.893 | 2.189 |
| Permanente verschillen | ||
| Rente aftrekbeperking | 15.692 | 28.815 |
| Overige permanente verschillen | -191 | -292 |
| Totaal tijdelijke enpermanente verschillen | -401.460 | -348.353 |
| Fiscale verliescompensatie | 0 | 0 |
| Belastbaar bedrag | 86.689 | 63.009 |
| Verschuldigde winstbelasting | 22.296 | 16.256 |
In 2025 is omtrent het bezwaar op aanslag 2019, met betrekking tot fiscale afwaardering van gebouw De Kreek, een compromis tot uiting gekomen die in januari 2026 door beide partijen akkoord is bevonden. In de vorige jaren was voorzichtigheidshalve geen rekening gehouden met fiscale afwaardering van gebouw De Kreek en ook de mogelijkheid van vorming van HerInvesteringsReserve vanuit oplevering van gebouw De Kreek gedeeltelijk beperkt. De effecten van het akkoord en de ruimte voor vorming van een HerInvesteringsReserve vanuit oplevering van gebouw De Kreek zijn de belangrijkste oorzaken van de aanpassing acute belastingen voorgaande jaren.
De effectieve belastingdruk is 2,0% (2024: 3,0%). Het verschil tussen het nominale VPB-tarief en de effectieve belastingdruk laat zich met name verklaren doordat de grootste factoren in het commerciële resultaat (de niet gerealiseerde waardeverandering vastgoedportefeuille en de overige waardeverandering vastgoedportefeuille) fiscaal niet meegenomen worden en het daardoor ontstane tijdelijke verschil in waardering pas in de verre toekomst tot uiting komt (De contante waarde van dit tijdelijke verschil tendeert naar nihil, waardoor er hiervoor geen latentie is opgenomen).
Voor verdere toelichting verwijzen we u naar de belastinglatentie.
Resultaat deelnemingen
64. Resultaat deelnemingen
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Woonbron Holding BV | -625 | -570 |
| Breedband Dordrecht | 11 | 21 |
| Stadsherstel Historisch Rotterdam N.V. | 40 | 0 |
| Wijkontwikkelingsmaatschappij Mathenesserkwartier B.V. | 480 | -243 |
| Totaal resultaat deelnemingen | -94 | -793 |
5. Overige toelichtingen
Afschrijvingen (im)materiële vaste activa
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Computersoftware | 1.059 | 1.152 |
| Immateriële vaste activa | 1.059 | 1.152 |
| Onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie | 2.216 | 2.616 |
| Materiële vaste activa | 2.216 | 2.616 |
| Totaal afschrijvingen op (im)materiële vaste activa | 3.275 | 3.768 |
Totaal lonen, salarissen, sociale lasten en pensioenlasten
| *€ 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Lonen en salarissen | 36.649 | 36.396 |
| Sociale lasten | 6.450 | 6.272 |
| Pensioenlasten | 4.354 | 3.933 |
| Totaal in dienst lonen, salarissen, sociale lasten en pensioenlasten | 47.453 | 46.601 |
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Afdeling wonen (verhuur en verkoop) | 110,4 | 100,9 |
| Afdeling projecten | 23,4 | 22,3 |
| Afdeling beheer | 305,9 | 323,3 |
| Afdeling strategie en communicatie | 20,8 | 18,3 |
| Afdeling financiën | 46,0 | 45,5 |
| Overige | 51,2 | 53,3 |
| Totaal | 557,7 | 563,6 |
Totale personeelslasten
Voor een complete inzicht van de personele lasten dienen ook de kosten voor inhuur personeel meegewogen te worden. Immers de inhuur van personeel is voor een deel het gevolg van een tijdelijke invulling van vacatureruimte. De uitgaven aan inhuurpersoneel zijn verantwoord bij de overige bedrijfslasten en zijn gespecificeerd bij de post toegerekende personeelskosten in deze toelichting. De uitgaven aan inhuur bedroegen in 2025 € 2,8 mln. (2024 € 4,2mln.).
Accountantscontrole door BDO
| 2025 | 2024 | |
|---|---|---|
| Controle van de jaarrekening | 289.069 | 313.259 |
| Andere assurance-opdrachten: controle dVi (cijfermatig en naleving wet- en regelgeving) | 28.556 | 26.015 |
| Andere assurance-opdrachten: Controle subsidie aanvragen | 26.729 | 8.489 |
| Totaal accountantskosten | 344.354 | 347.763 |